Waarom het (niet) raar is dat het Nederlands (g)een [g] heeft

Door Klaas Seinhorst

[K]leine peuters […] schreeuwen om het hardst kool”, schreef de Groene Amsterdammer in 1903. De kinderen hadden geen behoefte aan een voedzame maaltijd; ze waren aan het voetballen, en riepen het Engelse woord goal. Probleem: dat woord begint met een [g], en die heeft het Nederlands niet. Oplossing: je vervangt die klank door zijn stemloze tegenhanger, de [k].

Eerste doel: leerbaar

Ergens is het raar, dat het Nederlands die [g] niet heeft. Al in 1931 schreef de Nederlandse fonoloog Willem de Groot dat klanksystemen hun kenmerken graag maximaal combineren. Het Nederlands heeft plofklanken (ook wel “plosieven” genoemd, zoals [p] of [d]), velaire klanken (uitgesproken bij het zachte verhemelte: bijvoorbeeld [k] of de zachte g), en stemhebbende klanken (waarbij de stembanden trillen, zoals [m] of [l]), dus is er een grote kans dat de combinatie van die drie kenmerken, namelijk [g], ook voorkomt. Een klanksysteem dat zijn kenmerken maximaal combineert wordt ook wel zuinig genoemd, en volgens De Groot streven talen zulke zuinigheid doorgaans na. Het ontbreken van een mogelijke combinatie, dus een gat in het systeem, druist tegen dat principe in.

Hoe komt het dat talen graag zuinig zijn? Het lijkt erop dat mensen goed zijn in het leren van systemen zonder gaten: eventuele uitzonderingen moeten we immers onthouden. Voor mijn promotieonderzoek heb ik experimenten gedaan waarin mensen fonologische inventarissen moesten leren, met verschillende maten van zuinigheid. Leerders hadden inderdaad meer problemen met systemen met gaten dan met maximaal zuinige systemen, en als er een mogelijke combinatie van kenmerken ontbrak, vulden ze die – zonder het zelf door te hebben! – graag in. Die observaties bevestigen het idee dat leerders graag regelmaat in hun input hebben, en desnoods zelf regelmaat toevoegen: dat proces wordt regularisatie genoemd. We zien hetzelfde ook elders in de taal, zoals in het mettertijd zwak worden van sterke werkwoorden: de verleden tijd van durven, bijvoorbeeld, is van het onvoorspelbare dorst langzaam veranderd in het regelmatige durfde. Een andere motivatie van kenmerkzuinigheid, specifiek van toepassing op klanksystemen, is dat we graag maximaal gebruik willen maken van de articulatorische bewegingen die we hebben geleerd: sprekers proberen immers zo lui mogelijk te zijn. Je kan een heel duidelijke [a] maken door je mond zo ver mogelijk open te doen, maar die moeite is helemaal niet nodig om toch goed begrepen te worden, dus doe je het normaal gesproken niet.

Tweede doel: duidelijk (genoeg)

Ergens is het ook niet zo raar, dat het Nederlands die [g] niet heeft. Voor de luisteraar is het contrast tussen de (stemhebbende) [g] en de (stemloze) [k] vrij klein, vergeleken met het verschil tussen bijvoorbeeld de (eveneens stemhebbende) [d] en de (ook stemloze) [t]; en voor de spreker is het contrast tussen de [g] en de [k] vrij moeilijk te maken, moeilijker dan dat tussen de [d] en de [t]. Het is dus noch voor de spreker, noch voor de luisteraar een erg wenselijk contrast. En aangezien de [k] makkelijker uit te spreken is dan de [g], lossen sommige talen het probleem op door die [g] te vervangen door iets beters. In het Nederlands en in sommige Slavische talen is het een wrijfklank geworden (ook wel “fricatief” genoemd); in het Japans zoals dat vroeger in Tokio werd gesproken werd het een neusklank (of “nasaal”).

Uit mijn experimenten weten we dat mensen zuinige inventarissen goed kunnen leren, en dat ze onzuinige systemen regulariseren, maar wat gebeurt er in echte talen? Om die vraag te beantwoorden heb ik, samen met mijn student-assistente Floor van de Leur, gekeken naar een database met de klanksystemen van 317 gesproken talen, en dan specifiek naar hun plofklanken (die hebben ze namelijk allemaal). We hebben onderzocht hoe zuinig die plofklankinventarissen zijn, en vonden dat een krappe meerderheid alle kenmerken combineert, zoals De Groot verwachtte. In de rest van de inventarissen, dus een krappe minderheid, zit een of meer gaten: niet zelden ontbreekt de [g], net als in het Nederlands. Klanksystemen moeten immers niet alleen leerbaar zijn, maar contrasten tussen fonemen moeten ook duidelijk hoorbaar zijn, en niet al te moeilijk uit te spreken. Die motivaties kunnen strijdig zijn, en talen wegen ze niet allemaal op dezelfde wijze.

Beide doelen tegelijk

Om de situatie nog ingewikkelder te maken: ergens is het ook niet waar, dat het Nederlands die [g] niet heeft. Hij kan namelijk verschijnen als gevolg van assimilatie, bijvoorbeeld in het woord zakdoek. Dat woord is een samenstelling van de morfemen ‘zak’ en ‘doek’, maar doordat de [k] van zak voor een stemhebbende [d] staat past hij zich daaraan aan, en wordt een stemhebbende [g]. Ook in goal komt die [g] tegenwoordig vaak voor, misschien doordat meer mensen ervaring hebben met het Engels. Veel sprekers maken daarmee een verschil tussen goal en kool: voor hen is de /g/ dus betekenisonderscheidend geworden, een foneem van het Nederlands. (Sommige woorden hebben daarnaast nog een variant met een fricatief, bijvoorbeeld mango en spaghetti). De plofklankinventaris van die sprekers sluit eigenlijk een soort compromis, en voldoet daarmee aan beide eerder genoemde beperkingen: hij is maximaal zuinig, want het contrast tussen /k/ en /g/ komt wel voor, maar de problematische /g/ blijft beperkt tot een klein aantal leenwoorden. Die doet dus eigenlijk alleen voor spek en bonen mee (over een voedzame maaltijd gesproken!).

Ik verdedig mijn proefschrift “The complexity and learnability of phonological patterns: simulations, experiments, typology” op 19 februari aanstaande. Een samenvatting in het Nederlands staat hier; het hele boek vindt u hier.