Top 40 van de Gouden Eeuw – 13

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Om opnames en uitgave van de Top 40 mogelijk te maken, zijn wij een crowdfundingsactie gestart: steunleiden.nl/project/top-40-van-de-gouden-eeuw .
Doneer nu en ontvang de cd en/of het liedboek als beloning!

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Sei tanto graziosa

De oorsprong van ‘Sei tanto gratiosa’ is het vijfstemmige madrigaal van Giovanni Ferretti, dat door de Zuid-Nederlandse luitspeler, leraar en componist Emanuel Adriaenssen in zijn Pratum Musicum (1584) is bewerkt tot een luittabulatuur met aparte notatie van de bovenstem. De melodie is daarmee een voorbeeld van oorspronkelijk meerstemmige muziek die in het contrafactencircuit terecht is gekomen. Er zijn 253 liederen geschreven op deze opgewekte melodie, ook bekend geworden als ‘O schoonste personage’. Een van de dichters die graag liederen schreef op deze melodie was Gerbrand Adriaensz. Bredero. Een voorbeeld vinden we in zijn tragi-comedie Lucelle, ‘overgezet’ uit een Franse prozabron, waaraan Bredero liederen van eigen hand heeft toegevoegd. Aan het begin van het tweede bedrijf blijkt Lucelle een lied te hebben geschreven waarin ze haar liefde voor de prachtige Ascagnes bezingt. We zien hoe zij het papier overhandigt aan haar vriendin Margriet met de vraag het voor haar te zingen. Dan horen we hoe perfect deze jongeman is. Hij kan ‘konstich rymen’, volmaakt spreken, levendig schrijven, maar wat heeft zij daaraan als ze hem niet kan krijgen?

Lucelle met haer Spelinne Margriet. Margrietgen singt my eens mijn droevich treurich liedt Tgeen dat ick heb gemaackt gelijck ghy selfs wel siet, Ick sing mijn droefheyt, ick verbly mijn in mijn klachten Om te versoeten het verdrieten van mijn wachten: Op de Wijse: O schoonste Persoonage, &c

3. Och wat volmaackte reden
De wyse mont met val en vlot ontslippen,
Die met verstandelheden,
Eerst zijn gekleynst door ’t breyn en lieve lippen.
In sonderheyt,
Met onderscheyt
En kennisse der dinghen,
Door dit opmercken,
Geen woorden, noch geen wercken
Hem ontspringhen.

4. Sijn hooghe geest doorluchtich
Weet met de Pen te schildren en te schrijven:
Soo aardich en soo kluchtich,
Dat ons gemoet en sinne ‘tsamen kijven,
Of’t ware sijn,
Of stoffeloos schijn
Voor onse geesten sweefde.
Hy maalt het vrijen,
Het rechten en het strijen,
Of het leefde.

5. Ick prijs Lief u manieren.
Ick roem in rijm van u hoochdragend wesen,
Al wat ghy keunt versieren,
En wat ghy looft, het wert van mijn gepresen.
Ick lees en schrijf,
Om tijt verdrijf
Lust my te Reden-rijcken,
Ick soeck in vele,
Maar hope dy ten deele
Te gelijcken.

6. Ghy die my plach te leeren 
Het Goudt – Gemijnt uyt ‘tlichaam vander aarden
Los-hartich te ontbeeren,
En ‘tsienlijck goet te achten na zijn waarden,
Maar boven al
In’t aartsche dal
Het Hemelsche te wenschen:
Want sulck verkiesen
En baart geen swaar verliesen
Voor de menschen.

7. Wat baat my nu dit weten, 
Mijn kloecke kunst, u leerelijcke Lessen
Als ghy mijn wilt vergeten,
O Toveraar van Joffers en Princessen!
Die mijn bekolt,
Ja rolt en solt,
Besweert en keunt belesen,
Moogdy myn haten,
Of dus ellendich laten
In dit wesen?

Gerbrand Adriaensz. Bredero

schutterlijcke jongenCupido
mijn verneerde zinnemijn nederige ik
net besnedenfraai gevormd
schickbouw
swierbewegingen
stalgestalte
rangmager
redenwoorden
met val en vlotbevallig en vloeiend
gekleynstgezeefd
sinneverstand
maaltbeeldt af
versierenverzinnen
Reden-rijckendichten
soeck in veleprobeer in veel opzichten
Het Goudt-Gemijnthet goud, gedolven
bekoltbetovert
rolt en soltmaakt dat ik heen en weer geslingerd word
Moogdykunt u

Tekst uit: G.A. Bredero, Over-gesette Lvcelle. Ghespeelt by d’Oude Kamer In liefd’bloeyende t’Amsterdam (Amsterdam: Cornelis Lodewijksz vander Plasse, 1616), fols. D3v.-D4v. https://search-proquest-com.ezproxy.leidenuniv.nl:2443/docview/2090318210?accountid=12045 (pdf. pp. 42-45), transcriptie dbnl: https://www.dbnl.org/tekst/bred001luce01_01/bred001luce01_01_0019.php#bred001luce01_0005
Melodie uit: Emanuel Adriaenssen, Novum Pratum musicum longe amoenissimum : cuius spatiosissimo, eoque iucundissimo ambitu (praeter varii generis automata seu phantasias) comprehenduntur (Antwerpen: P. Phalèse, 1592), fol. 14 http://imslp.org/wiki/Pratum_musicum_longe_amoenissimum_(Adriaenssen%2C_Emanuel) (pdf p. 52)