Sanderijns zeshonderd jaar lange weg naar erkenning

#MeToo in de Nederlandse literatuur

Door Cécile de Morrée

Sanderijn is verkracht. Als een van de hoofdpersonages in het abele spel Lanseloet van Denemerken is zij een van de weinige misbruikte vrouwen die van medioneerlandici erkenning hebben gekregen. In navolging van Jeanette Koekmans artikel uit 1991 publiceerden op dit platform Remco Sleiderink en Ludo Jongen hun analyses van de scène waarin Sanderijn met Lanseloet heeft gheweest in die camere. Ondanks dat de eigenlijke verkrachting off stage plaatsvindt – of misschien wel juist daardoor – blijft de discussie over deze tekst van groot maatschappelijk belang.

Koekman, Sleiderink en Jongen bestudeerden de situatie van Sanderijn vanuit literair-analytische en cultuurhistorische perspectieven, maar leken nog weinig oog te hebben voor sociale constructies – zoals status – die onlosmakelijke verbonden zijn met seksueel geweld in heden en verleden. Ook in de fictionele wereld vormen situaties van grensoverschrijdend gedrag een complex kruispunt van samenhangende factoren, waarin onder meer gender, status en ruimte een rol spelen. In deze bijdrage wil ik laten zien dat een dergelijke intersectionele analyse nodig is om inzicht te krijgen in de werking en betekenis van literaire casussen van seksueel geweld.

Status

Het grote statusverschil tussen de hooggeboren heer Lanseloet en het meisje Sanderijn omsluit het plot in een web van dwang. Hoewel hij gevoelens voor haar heeft, is een huwelijk geen reële optie. Al in vers 12-13 van de proloog legt de verteller de vinger op de zere plek: ‘Maer si was hem te cleine / Van goede ende oec van gheboert.’. Hij wil haar daarom graag als minnares, maar Sanderijn bedankt voor die sociaal inferieure positie: ‘Soe en dadic mi niet te cleine’ (vs. 83), ik zou mij tot zoiets niet verlagen. Lanseloet probeert haar nog wijs te maken dat hij dan wel met haar zal trouwen ná de seks (vs. 84-93), maar daar gaat ze niet in mee: haar maagdelijkheid is haar kostbaarste bezit.

Hetzelfde statusverschil is een essentieel onderdeel van het plot in een Europees literair genre waarin vrouwen van lage komaf met enige regelmaat worden verkracht: de pastourelle. Net als in de pastourelle probeert Lanseloet eerst om Sanderijn te overreden met cadeaus (vs. 84-93) en vleiende woorden (vs. 136-147). Maar, helaas, verzucht hij, ‘Sine wilt niet doen den wille mine’ (vs. 162), waarmee hij expliciet doelt op seks. Hem rest dan ook geen andere optie dan zijn status aan te wenden om zijn zin te krijgen. Andreas Cappellanus schreef immers al dat hooggeplaatste mannen laaggeplaatste vrouwen gewoon mogen grijpen (in een twaalfde-eeuws werk met de vanuit modern perspectief vrij misleidende titel De Arte Honeste Amandi). Status geeft een vrijbrief voor onderdrukking.

Gender

Lanseloet krijgt hulp van zijn moeder, wier doel is een wig tussen Lanseloet en Sanderijn te drijven, zodat hij iemand van zijn eigen stand kan trouwen. Behalve een listig personage, is ook zij – naar wij mogen aannemen – van hoge status. Waar Lanseloet als man bovendien nog een toegevoegd overwicht over Sanderijn heeft, wint ook de positie van zijn moeder aan gewicht in kwesties van seksuele opvoeding. Moeders treden in de middeleeuwse literatuur vaak op als raadgevers op dit gebied. Natuurlijk gaat het dan in de meeste gevallen om moeders die hun dochters waarschuwen en hen aanmanen binnen te blijven en over hun maagdelijkheid te waken. In dit geval legt de figuur van de moeder echter de mannelijke kant van de middeleeuwse dubbele standaard bloot: jonge mannen werden juist geacht seksuele ervaring op te doen, om bij de huwelijksnacht goed beslagen ten ijs te komen (moeders die dit aanmoedigen figureren bijvoorbeeld in het Antwerps liedboek). De machtsverhoudingen die zo, op basis van gender en status, in de loop van het toneelstuk worden geconstrueerd, zijn zodanig dat aan Sanderijn elke bewegingsvrijheid wordt ontnomen.

Ruimte

Opvallend is ook de combinatie van machtsverhoudingen en het gebruik van ruimte in het toneelstuk: beide versterken elkaar. Het gebruik van ruimte wijkt bovendien af van wat we elders in de middeleeuwse (hoofse) literatuur zien. Hierdoor wordt een spanning tussen veiligheid en onveiligheid gecreëerd. Hoewel de ommuurde tuin met egelantier aan gelieven doorgaans een veilige ontmoetingsplaats biedt, is deze hier het decor voor de dialoog waarin Lanseloet bij Sanderijn aandringt op seks en zij hem drie maal resoluut afwijst (vs. 51-53). We mogen bovendien aannemen dat deze tuin bij Lanseloets kasteel hoort (zie editie Hans van Dijk, noot 3), en dus onder zijn ruimtelijke invloedssfeer valt. Aankomend dader en slachtoffer bevinden zich hier niet op neutraal terrein, wat de scheve machtsverhoudingen versterkt. De ‘camere’ waarin de eigenlijke verkrachting plaatsvindt – Lanseloets privé-vertrek – belichaamt het centrum van zijn macht over haar.

Om uit Lanseloets onderdrukking los te komen, moet ze ook de door hem gecontroleerde ruimte verlaten: ‘Ic salt al laten’ (vs. 340: ik zal het allemaal achter me laten). Op dat moment betreedt ze juist een ruimte die traditioneel met seksueel geweld word geassocieerd, namelijk de vrije natuur. In de pastourelle vinden de verkrachtingen altijd plaats in velden of bossen en ook Lanseloet nodigt Sanderijn herhaaldelijk uit te gaan ‘spelen’ in het ‘wout’. Voor Sanderijn is het ‘foreest’ echter een plaats van zuivering, door Sleiderink sprekend aangeduid als een ‘mirakel’. Ze ontmoet hier een (naamloze) ridder, die oprecht van haar houdt en die haar ondanks het verlies van haar maagdelijkheid tot zijn volwaardige echtgenote wil maken.

Implicaties en gevolgen

In Lanseloet van Denemerken werken status, gender en ruimte samen om de omstandigheden te creëren waarin het hoogtepunt van het plot – het misbruik – kan plaatsvinden. De invloed van deze machtsstructuren strekt zich echter uit tot ver na het misbruik. In de fictieve verhaalwerkelijkheid realiseert Sanderijn zich pas achteraf dat ze er tegen haar zin is ingeluisd door Lanseloets moeder. Dat ze – zoals Remco Sleiderink terecht vaststelt – bovenal gekwetst is door Lanseloets gedrag en lijdt onder de diefstal van haar maagdelijkheid, laat onverlet dat ze een trauma heeft opgelopen. Dit blijkt wel een jaar later, wanneer Lanseloets kamerheer Reinout haar komt vragen of ze wil terugkeren als Lanseloets echtgenote. Sanderijn is inmiddels gelukkig getrouwd met de naamloze ridder en weigert. Ze geeft Reinout wel een parabel mee, en daarin verwijst ze naar wat Lanseloet haar heeft aangedaan (‘Ende dat die valke die daer quam / Ene bloeme van dier gheerden nam / Ende alle die andere liet hi staen. / Sine vlerken ghinc hi van hem slaen / Ende vloech wech met haesten groet.’ (vs. 801-805)). Ze weigert dus niet alleen vanwege haar nieuwe leven; uit dit voorbeeld van survivor speech blijkt dat het haar óók nog steeds dwars zit dat Lanseloet haar van haar maagdelijkheid heeft beroofd, en haar daarna heeft verstoten. Een gebeurtenis van deze impact is immers niet gemakkelijk verwerkt.

Verontrustender is de doorwerking van dezelfde structuren in de werkelijkheid van de 21e-eeuwse onderzoeker. Wanneer deze tekst wordt besproken met vakgenoten (docent en student), ligt bij velen de reactie voor de hand dat Sanderijn toch wel wist waar ze aan begon toen ze Lanseloets kamer binnenging. Dit is een uitstekend voorbeeld van een rape myth. Daarbij wordt seksueel misbruik goedgepraat of zelfs aan het slachtoffer geweten: dat krijg je ervan, dan moet je maar niet ‘s avonds alleen met een kort rokje aan op straat gaan lopen. Het lastige aan rape myths is dat ze zo diep in ons denken geworteld zijn, dat we allemaal wel op de een of andere manier een bijdrage leveren aan de bekrachtiging ervan. Juist daarom moeten we proberen rape myths zichtbaar te maken wanneer we deze signaleren.

Victim blaming

De interpretatie van Ludo Jongen levert hieraan helaas geen enkele bijdrage. Hij beijvert zich alle registers van de letterkunde open te trekken om het plot van Lanseloet van Denemerken zo te kunnen interpreteren dat van seksueel geweld geen sprake is. Hij koppelt daartoe Sanderijns drievoudige weigering los van de verkrachting met de vaststelling dat Lanseloet die afwijzingen respecteert: ‘hij doet geen enkele poging haar te overweldigen’. Misleid door Lanseloets moeder, zo houdt Jongen ons voor, gaat Sanderijn vervolgens ‘vrijwillig naar Lanseloets kamer. Zij verzet zich niet.’ De gedachte die aan deze redeneringen ten grondslag ligt, is dat fysiek geweld een voorwaarde is om van verkrachting te kunnen spreken. Dit is een bekende rape myth. Dat Sanderijn zich niet verzet, betekent in de lezing van Jongen dat zij instemde met het gebeurde. Ook dat is een bekende rape myth. Verkrachting, dat is met geweld enzo; als ze het er niet mee eens was geweest, had ze wel meer gedaan om zich te verzetten; als de ander twijfelt of van gedachten verandert, is het toch niet écht verkrachting; en hoe moet hij nou weten dat ze niet wil, als ze niet expliciet weigert en niet terugvecht op het moment zelf? Sanderijns uitspraak dat het gebeurde ‘sonder danc’ (tegen mijn zin) lost Jongen op met een ongebruikelijke vertaling (zie Jongen, noot 3).

Sleiderink is gelukkig veel genuanceerder. Hij stelt dat Sanderijn, die Lanseloet direct na het misbruik geen verwijten maakt over de feitelijke verkrachting, het kennelijk ‘normaal’ vindt ‘dat een jongen zijn kans grijpt als een meisje alleen naar zijn kamer komt’. Hij verklaart dit doordat Sanderijn de geldende rape myths geïnternaliseerd heeft. Het internaliseren van rape myths, ook door vrouwen en slachtoffers, wil ik inderdaad niet ter discussie stellen. Wel denk ik dat we deze lezing verder kunnen nuanceren. Zo denk ik zelf dat er uit Sanderijns parabel, wanneer we deze lezen als een vorm van survivor speech, wel degelijk blijkt dat ze Lanseloet de verkrachting kwalijk neemt, al is het dan inmiddels een jaar later.

Ook vraag ik me af hoe Sleiderinks interpretatie precies verband houdt met zijn slotopmerking dat Sanderijn niet wordt geconfronteerd met victim blaming. Immers, zij wordt weliswaar niet geconfronteerd met victim blaming door anderen, maar wel door zichzelf. Juist het (aanvankelijk) uitblijven van verwijten aan de dader markeert dit. Dit verschijnsel, waarbij een slachtoffer achteraf de belager niets verwijt, wordt ook wel hindsight bias genoemd: ik had kunnen weten dat dit zou gebeuren, het is logisch dat hij zo heeft gehandeld, dan had ik maar niet naar zijn kamer moeten gaan… Dit gedachtepatroon resulteert in een veel voorkomende en zeer schadelijke vorm van victim blaming of self-blame, die – inderdaad – direct gevoed wordt door rape myths.

Spiegel

Deze voorbeelden laten zien dat ook literaire interpretaties gebaat zijn bij actuele inzichten in de werking van machtsverhoudingen en seksueel geweld. Dat er geen sprake is van fysiek geweld, wil niet zeggen dat er geen sprake is van dwang, zeker niet wanneer de gebeurtenis gesitueerd is in een web van macht en status, zoals in Lanseloet van Denemerken. Een intersectionele analyse van literatuur kan zo helpen meer inzicht te krijgen in kwesties van instemming, vrijwilligheid, en de zelfbeschikking van vrouwen.

Dan nog dit. We willen graag geloven dat we bij de dreiging van seksueel geweld zullen vechten en schreeuwen, dat we ons hevig zullen verzetten tegen onze belager. Dit is ook wat de rape myths ons leren. Maar het is een illusie. Onderzoek wijst uit: 70% van de slachtoffers van verkrachting doet niets of werkt mee. Inderdaad, sommigen werken mee. Dit heeft alles te maken met een instinctieve overlevingsreactie. Naast fight or flight is er namelijk nog een derde optie: freeze. Hierbij schakelt de mens zich als het ware uit, in de hoop de schade te beperken, onder het motto ‘beter verkracht dan dood’. De ogenschijnlijk gedweeë manier waarop Sanderijn gehoor geeft aan het bevel dat Lanseloets machtige moeder haar geeft, kan in alle redelijkheid dan ook niet worden geïnterpreteerd als vrijwillige instemming – ook niet in een middeleeuws verhaal.

Het toneelstuk Lanseloet van Denemerken toont ons dus een situatie die schrikwekkend dicht aansluit bij de realiteit. De dwang is hier niet verbaal, fysiek of feitelijk, maar een complex product van status, gender en ruimte. Sanderijn schakelt zichzelf uit, zoals zo velen in haar situatie. Het voorhouden van zo’n treffende spiegel past alleszins bij het genre van het toneel. We zien een echte vrouw in een real life situatie. Bovendien – eerlijk is eerlijk – heeft Sanderijn een tegenspeler van formaat gekregen. Lanseloets innerlijke strijd, zijn berouw en verdriet bieden een inkijk in de psyche van de perpetrator. Ook dit past bij het theater, dat immers voor een breed publiek werd opgevoerd (zie editie Hans van Dijk, noot 16). Lanseloet van Denemerken is een spiegel met twee zijden. En wie met een heldere blik in die spiegel kijkt, zal steeds een andere kant van zichzelf zien, meer dan zeshonderd jaar lang.

Dit stuk is een reactie op:
Remco Sleiderink, ‘Het mirakel van Sanderijn. #MeToo in de Middelnederlandse literatuur’, Neerlandistiek, 21 december 2017
En
Ludo Jongen, ‘Als een meisje ja zegt… Een antwoord aan Remco Sleiderink’, Neerlandistiek, 22 december 2017

Afbeelding: Suzanna en de ouderlingen, Pierre Van Hanselaere, 182. Rijksstudio.