Uit de Kapellekensbaan

Door Frank Willaert

In de jaren zestig waren mijn vader en ik trouwe kijkers van het televisieprogramma “’t Is maar een woord” op de Vlaamse Televisie. Het ging om een woordspelletje met een vast panel bestaande uit de sportjournalist Piet Theys, de televisiepresentatrice Nora Sneyers, de journalist Gaston Durnez en Louis Paul Boon. “Een gemene vent”, gromde mijn vader, die al wat links was niet bepaald in het hart droeg, telkens wanneer Boon het woord kreeg. Ongetwijfeld had hij Boon een “viezentist” genoemd, als hij hem gelezen had.

Voor mij was de afkeuring van mijn vader juist een goede reden om in de stadsbibliotheek de plank met het werk van Boon leeg te lezen. Ik herinner me in die tijd Wapenbroeders, De kleine Eva uit de Kromme Bijlstraat Vergeten straat, Mijn kleine oorlog en Menuet gelezen te hebben. Of het literatuur was, wist ik niet zeker: op school werd er nooit over Boon gesproken, en de flauwe grappenmaker op televisie correspondeerde helemaal niet met het beeld dat ik toen van een Vlaamse Schrijver had. De Kapellekensbaan leerde ik pas veel later kennen, via een verplichte leeslijst aan de universiteit. Hoe diep die fascinerende roman zich toen in mijn geheugen heeft gegrift, realiseerde ik me toen ik de roman achtenveertig jaar later herlas, in de mooie editie die mijn Antwerpse collega’s o.l.v. Kris Humbeeck in 2018 bij Athenaeum – Polak & Van Gennep hebben doen verschijnen.

Een keuze maken uit de verwarrende overvloed die De Kapellekensbaan biedt is niet makkelijk. Kies je voor een van de gesprekken tussen boontje en zijn vrienden over zijn roman in wording, over de chaotische gang van de wereld en de corrumpering en teloorgang van schone idealen, voor een van de grimmige avonturen van Reinaert en Isengrimus, of voor een episode uit de roman over Ondineke, het volksmeisje uit de verarmde middenstand dat tot alles bereid is om zich een plaats te veroveren in de wereld van de adel of toch tenminste die van de hogere burgerij? Ik koos uiteindelijk voor het laatste.