Taalbeschouwing: hoe het dus niet moet

door Peter-Arno Coppen

Welkom, jongens en meisjes, bij alweer de eerste aflevering van onze rubriek Taalbeschouwing voor beginners. Vandaag: Hoe het dus niet moet. Om te beginnen: neem de Volkskrantbijlage van donderdag 14 januari 2021, en sla de pagina ‘Taal’ op, pagina V11. Misschien ken je die pagina, en heb je al eens eerder de grappige foto’s rechtsboven bekeken, of de Alfabeter van Ronald Snijders. Maar er staan ook gewone rubrieken op die pagina, meestal gevuld met zurige stukjes over ‘jeukende woorden’, verderfelijke invloed van het Engels, of kritiek op ‘slordige taalfouten’.

Vandaag gaat het ons om de rubriek ‘Engels en/of Nederlands’, linksonder. Knip deze rubriek uit en plak hem alvast in je schrift (of maak een screenshot en sla die op in een map). We gaan zo meteen samen de tekst doornemen, maar eerst even wat achtergrond.

In de rubriek ‘Engels en/of Nederlands’ wordt meestal geschreven over Engelse woorden of Engelse zinsbouwverschijnselen die de laatste tijd in het Nederlands zijn opgenomen of toegepast. De journaliste sluit altijd af met de vraag ‘Is het erg?’, waarop het antwoord dan meestal ‘ja’ is (of ‘toch wel een beetje’).

Je zou die rubriek kunnen zien als een vorm van taalbeschouwing: nadenken over taal. De journaliste observeert de Nederlandse taal. Ze probeert ontwikkelingen te signaleren en daar dan een oordeel over uit te spreken. Maar de rubriek laat ook heel vaak zien hoe het niet moet; hoe je op een heel verkeerde manier de taal kunt beschouwen. Laten we maar eens beginnen met lezen.

‘Terwijl de wereld zich in 2020 bezighield met netflixen, complottheorieën bedenken, pandemieën bestrijden en wat al niet meer,’ zo opent de rubriek in een poging om het luchtig te houden, ‘besloot deze rubriek zich op een andere manier nuttig te maken: door het verzamelen van bijzinnen met een verkeerde woordvolgorde, in onze optiek beïnvloed door het Engels’. Zo’n opening vraagt natuurlijk om uitleg: wat was ook al weer een bijzin? Hoezo verkeerde woordvolgorde?

Het mag natuurlijk allemaal niet al te moeilijk worden, dus probeert de journaliste het eenvoudig weer te geven. In een hoofdzin, zo zegt ze, is de volgorde over het algemeen: onderwerp-persoonsvorm-overige zinsdelen. We zitten nu ineens midden in de zinsontleding, maar gelukkig volgt er een voorbeeldje: ‘man bijt hond’.

Die regel is wel heel eenvoudig gesteld, vooral omdat in de hele rubriek tot nu toe geen enkele hoofdzin staat met deze volgorde. En ook in de tekst die je nu leest voldoet nog maar een derde van alle hoofdzinnen aan die volgorde. Dus eigenlijk klopt die regel niet. Maar het gaat de journaliste vooral om de plaats van de persoonsvorm. ‘Een algemeen kenmerk van een bijzin is juist dat de persoonsvorm achteraan staat’ (‘ik zie dat de man de hond bijt’). Dat is typisch voor het Nederlands: in het Engels is de woordvolgorde in de hoofdzin hetzelfde als in de bijzin.

Dat de woordvolgorde van hoofdzin en bijzin in het Nederlands verschilt en in het Engels niet, dat klopt wel, maar de regel dat de persoonsvorm in een bijzin helemaal achteraan moet staan, die klopt dan weer niet. Nota bene de eerste zin van de rubriek (boven geciteerd) eindigt niet op de persoonsvorm: achter ‘bezighield’ volgt nog een heel zinsdeel. Maar ook op de rest van de pagina staan er 28 bijzinnen waarvan er maar 11 zijn met de persoonsvorm als laatste woord. Maar nu komt het.

De journaliste heeft ‘in meerdere media’ eens gekeken naar bijzinnen, en ‘tot onze teleurstelling’ heeft ze er vier gevonden met de ‘Engelse’ woordvolgorde:

  1. De auteur schreef een boek, waarin hij duikt in de geschiedenis van de mens.
  2. Het is perfect getimed dat het museum komt met een tentoonstelling over dit onderwerp.
  3. Hij hoopte dat hij gespeeld zou worden door Denzel Washington.
  4. de arbeidsvitaminen die schalden uit de radio aan de overkant.

‘Dit zijn allemaal gevallen’, zo orakelt ze verder, ‘van een syntactisch anglicisme: een anglicisme op zinsbouwniveau’. En dan volgen de “gecorrigeerde” varianten, waarin telkens de persoonsvorm achteraan wordt gezet.

Waar gaat het hier mis? De journaliste heeft twee bronnen geraadpleegd: allereerst heeft ze een regel over de woordvolgorde opgespoord. Een foute regel, akkoord, maar het is in ieder geval een regel. Vervolgens heeft ze naar het echte taalgebruik gekeken, naar de zinnen die daadwerkelijk voorkomen ‘in diverse media’. Maar ze vergeet de derde bron: haar eigen taalgevoel.

Als je de vier voorbeelden leest, dan moet je taalgevoel je toch vertellen dat er met zeker drie van de vier zinnen niets, maar dan ook helemaal niets mis is! De zinnen 2, 3 en 4 uit het lijstje zijn zeker onberispelijke zinnen in het Nederlands. Alleen zin 1 voelt misschien een beetje vreemd aan. Dat komt omdat ‘in de geschiedenis van de mens’ bij ‘duiken’ ook iets heeft van een richtingsbepaling, en die staat liever voor de werkwoorden. Je zegt eerder ‘Als ik naar school ga’ dan ‘Als ik ga naar school’. Als je het letterlijk over ‘duiken’ hebt, zoals ‘in het water duiken’ zie je ongeveer hetzelfde: je zegt liever ‘Als ik in het water duik’ dan ‘Als ik duik in het water’ (al is het verschil daar al kleiner). Maar ‘ergens in duiken’ heeft hier meer de betekenis van ‘iets onderzoeken’. Daardoor voelt ‘ergens in’ meer aan als een voorwerp bij het werkwoord dan als een richtingsbepaling. En dus wordt het ook beter mogelijk om het achteraan te zetten.

Maar ook als je zelf het onderzoekje van de journaliste nadoet, zie je dat die regel niet kan kloppen. Stel dat je die hele Volkskrantpagina bekijkt, dan zie je dat er 28 bijzinnen in staan. Van die 28 zijn maar 11 waarin de persoonsvorm achteraan staat. Vaak staan er alleen andere werkwoorden achter (in 8 gevallen), en vaak ook hele zinsdelen, zoals in de vier voorbeelden uit het lijstje (in 9 gevallen).

De journaliste maakt hier een beginnersfout in de taalbeschouwing. Ze past een regel toe, verzamelt voorbeelden waar de regel niet opgaat, en oordeelt meteen, zonder haar taalgevoel of gezonde verstand te raadplegen. Als meer dan de helft van de gevonden bijzinnen niet aan je regel voldoet, moet er wel een alarmbelletje gaan rinkelen!

Bij taalbeschouwing moet je altijd ook je taalgevoel raadplegen. Als je een regel hebt, en je constateert dat die regel tot absurde conclusies leidt (namelijk: dat doodnormale zinnen fout zouden zijn), dan klopt er waarschijnlijk iets niet aan de regel.

De journaliste heeft hierdoor met haar hele onderzoek niets geleerd. Ze had kunnen bedenken: hé, als ik naar het werkelijke taalgebruik kijk, dan zie ik veel voorbeelden waar die regel niet opgaat. En als ik met mijn taalgevoel naar die zinnen kijk, dan zijn dat eigenlijk prima zinnen. Die regel klopt dus niet. Hoe zit het dan wel met die invloed van het Engels? En dan had ze misschien een betere regel kunnen opzoeken of bedenken over de woordvolgorde in hoofdzin of bijzin. Of ze had iets kunnen lezen over volgordefouten in bijzinnen, bijvoorbeeld dit artikeltje uit 2019 van Gerard Kempen en Karin Harbusch in het tijdschrift Onze Taal, waarin zinnetjes worden besproken als ‘omdat ik moet nog naar een vergadering’, die vooral in spreektaal voorkomen, vooral bij omdat, en ook nog eens in het Duits (bij weil).

Het artikeltje in de Volkskrantrubriek is dus een mooi voorbeeld van hoe het niet moet in de taalbeschouwing. Maar hoe moet het dan wel? Met andere woorden: wat hebben we nu geleerd? Dat is samen te vatten in het volgende lijstje:

  1. Raadpleeg bij taalbeschouwing altijd drie bronnen (in willekeurige volgorde):
    • De literatuur: wat er geschreven is, de regels. Het maakt niet uit of het foute regels zijn, daar kom je dan vanzelf achter, doordat bronnen elkaar tegenspreken.
    • De werkelijkheid: de taal die mensen echt gebruiken, in gesprekken, in mailtjes of appjes, in blogposts, in artikelen of boeken.
    • Je taalgevoel: het is altijd goed om je gezonde verstand te gebruiken, en dat van anderen. Als je zelf twijfelt, kun je ook aan klasgenoten of familie vragen hoe hun taalgevoel is.
    Al die bronnen moet je natuurlijk kritisch bekijken: de literatuur kan het mis hebben, mensen kunnen zich vergissen in hun taalgebruik, en je taalgevoel kan veranderlijk zijn. Als je twijfelt, kun je elke bron uitbreiden: meer literatuur, meer werkelijk taalgebruik (of van onbesproken kwaliteit), en het taalgevoel van meerdere mensen raadplegen.
  2. Oordeel niet te snel: een oordeel op basis van één bron, of één argument, is meestal geen goed oordeel. Door langer na te denken maak je niet alleen je oordeel beter, maar je begrijpt ook beter hoe het allemaal in elkaar zit.

In taalrubrieken in kranten of tijdschriften of op sociale media wordt vaak snel geoordeeld en gaat het vooral om het aanwijzen van taalfouten, die dan heel ergerniswekkend voorgesteld worden of gezien worden als een teken dat het snel bergafwaarts gaat met onze mooie taal. Dat zijn dus geen goede voorbeelden van taalbeschouwing.

Is dat erg? Ja, dat is heel erg.