Frank Willaert leest Lucebert

Luceberts gedicht “school der poëzie” komt voor in de bundel “apocrief/de analphabetische naam” die in 1952 bij De Bezige Bij verscheen. Dat is de eerste bundel die Lucebert schreef, maar het was niet zijn debuut. De Bezige Bij, aarzelde lang om de bundel uit te geven: de taal die erin gebezigd werd was zo ongebruikelijk, dan men zich afvroeg of het niet om het werk ging van een krankzinnige. .

“school der poëzie” is een programmatisch en tevens een poëticaal gedicht. Het komt op de tweede plaats van de eerste afdeling van Luceberts bundel, “apocrief”, net zoals dat andere bekende poëticale gedicht “ik tracht op poëtische wijze” met het beroemde vers van de mens die beseft een broodkruimel te zijn op de rok van het universum op de tweede plaats komt van de tweede afdeling, “de analphabetische naam”.

Helemaal vooraan, vóór “school der poëzie” staat het beroemde sonnet in éénlettergrepige verzen: “ik mij ik mij mij ik mij ik ik ik mijn mijn mijn ik”, een parodie op de conventionele poëzie die in Nederland domineerde, met zijn vaste schema’s en zijn al te grote betrokkeneid op het “ik”.

In het gedicht “school der poëzie” laat Lucebert dan ook weten dat het einde van deze dichters van fluweel aangebroken is. Tegelijk lijkt hij te twijfelen aan de mogelijkheid om een radicaal nieuwe taal te bezigen. Ook de taal die hij hanteert, is nog teveel bezoedeld: hij is een oplichter, enerzijds iemand die het licht laat schijnen op wat verborgen was, iemand die onder de tegel die liefde heet de haat openbaart, maar tegelijk ook een bedrieger die liefde zegt en haat bedoelt. De mystiek waarmee hij de deugd probeert te genezen is ook het bedorven voer van de leugen. En hoewel hij snakt naar de revolutie woont hij in zijn bundel als een rat in de val. Zelf lijkt hij zich in dit gedicht, een van de weinige waarin hij – allicht niet toevallig – het rijm hanteert, nog deel uit te maken van de rijmratten van de nog altijd veel te schone poëzieschool.