De blinde vlek

Door Marc Kregting

Op 9 januari kantten Fleur Speet, Jannah Loontjes en Manon Uphoff zich in het dagblad Trouw principieel tegen ondervertegenwoordiging. Hun artikel ‘Nederlandse romans zitten vol karikaturale rokjes-kontjes-tietjes: tijd voor meer vrouwen in de literaire canon’ bepleitte een blik die breder moest worden dan het wittemannenperspectief. Ze namen het op voor schrijvers met ‘een niet-westerse achtergrond’, met een ’lhbt- of andere achtergrond’, vermeldden terzijde zelfs ‘Vlaamse auteurs’ – maar verreweg de meeste rehabilitatieaandacht schonken ze toch wel aan vrouwen.

Het belegen trio Reve, Mulisch, Hermans zagen ze graag uitgebreid met Haasse, Blaman, Burnier, Roemer. Een nipte overwinning (4-3) die uiteraard symbolisch was. Evenwicht tussen geslachten, kleuren en seksuele voorkeuren heeft meer nut dan een vertegenwoordigingssommetje alleen. Door grotere diversiteit komt er kennis vrij, meer lezers kunnen zich herkennen in geschreven verhalen, zodat zowel onderwijs als bibliotheek als boekhandel profiteren van die verruiming. De hele wereld feitelijk, net zoals door #MeToo en Black Lives Matter zicht kwam op ‘ongelijke machtsverhoudingen, vooroordelen en veelal onbewuste discriminatie’.

Ik was, zoals dat heet, gelijk mee. In die mate zelfs dat ik me afvroeg waarom deze evidenties tegen paternalisme anno 2021 ampel moesten worden uitgemeten, inclusief de nooit dralende ‘blinde vlek’ die zich weer eens het oog van de ander bevond. Zo gezwind mogelijk vermande ik me. Uitstekend dat aan het begin van een nieuw kalenderjaar ook lezers goede voornemens mogen maken. Op het belang van diversiteit kan niet vaak genoeg gewezen worden. Mocht er zelfs aandacht komen voor de marges van literatuur, waar zich vernieuwing heet af te spelen, dan zou het helemaal geweldig zijn. Voorlopig kon ik alvast mijn eigen leeslijstjes aanvullen. Mijn toch al beschamende kennis schiet met name op het vlak van historische literatuur tekort. Bedankt!

Dat er misschien toch iets aan de hand was met het stuk van Speet, Loontjes en Uphoff begon me te dagen toen het op 16 januari een reprise kreeg in het Belgische dagblad De Standaard. Bij hen had zich een vierde schrijfster gevoegd, Annelies Verbeke, en de titel luidde nu: ’De literaire canon heeft meer sokkels nodig’. Terwijl het Nederlandse artikel was gecatalogiseerd als essay, heette het onder de Moerdijk pleidooi. De grote lijn bleef herkenbaar maar, hoe handig voor mijn leeslijstjes, de invulling was danig veranderd. Had Verbeke, geboren in Dendermonde waar het Ros Beiaard valt te bewonderen, dit in haar eentje bewerkstelligd tegenover een Hollandse overmacht (1-3)?

Verrimmeld

Waar ook De Standaard begon met ‘Nederlandse’ literatuur te voorzien van een vrouwentraditie, sloot het pleidooi er in de tweede alinea op aan met zuidelijke namen, vanzelfsprekend aangevoerd door Hadewijch. Ineens besefte ik dat in het originele Trouw-essay voor diversiteit tussen de vele voorbeelden welgeteld één ‘Vlaamse’ schrijfster was genoemd: Petronella Keysers. Die hardnekkige laaglandse wanverhouding, met superioriteit in het Noorden, is recent helaas vaker getoond. Nu viel me op dat aan de genoemde Grote Drie, niet onverwacht, Boon en Claus waren toegevoegd en aan hun vrouwelijk evenwaardigen Loveling en De Martelaere (5-5). Voor die stand had Andreas Burnier, in huidige termen te rangschikken onder ’lhbt’, al na één week het veld moeten ruimen.

Natuurlijk gaat schepping gepaard met vernietiging, maar zelfs uit de eerste pan-Hollandse alinea bleek bij nader inzien Hella S. Haasse verdwenen als wegbereider van postmodernistisch proza. Best begrijpelijk. Zelf zou ik daar Richard Minne noemen, en een echte kenner zou allicht voorbeelden uit vroeger eeuwen opdelven. Het punt is dat tegen elk principe wel een uitzondering te bedenken valt omdat een concretisering minder gunstig uitpakt. Daarom zou juist het principe onwrikbaar moeten worden gemaakt, in plaats van extra bewijsplaatsen te zoeken. En dat laatste is precies wat de nieuwe versie deed – en zo oneffenheden blootlegde. Mogelijk was het niet eens Verbeke die grotere tweelandelijke stabiliteit zocht, maar geschiedde dat op verzoek van De Standaard.

Een voorbeeld van zulke ongewenste gevolgen biedt deze passage:

Vrouwelijke auteurs zijn vaak vernieuwers, maar in de literatuurgeschiedenissen zie je daar nauwelijks iets van terug. Want op een heel subtiele manier denken we allemaal dat vernieuwing hoort bij mannelijke auteurs en dus zijn literatuurgeschiedenissen vooral verhalen van witte westerse mannen. Inmiddels is het wel duidelijk dat deze invalshoek achterhaald is (…). ‘Wie wil er nu nog testosteronproza lezen?’ vroeg Marja Pruis zich onlangs af in De Morgen. Uiteraard valt proza geschreven door mannelijke auteurs niet als een homogene massa onder die noemer, maar we weten wel meteen wat ze bedoelt.

Dat woordje ‘vaak’ dunkt me netelig. Indien er had gestaan dat vrouwelijke vernieuwers niet erkend werden in literatuurgeschiedenissen, was er geen probleem geweest. Juist de ontstaande claim dat vernieuwing geslachtsgebonden zou zijn, nota bene precies datgene wat niet wil worden betoogd, zorgt onnodig voor tegenwerping die ook wordt uitgelokt door het retorische en discriminerende ‘allemaal’. Met de abrupte invoeging van Pruis, waarschijnlijk vanwege de Vlaamse bron, wordt de redenatie nog ingewikkelder. Er doemt nu essentialisme, dat meteen moeten worden ontkend om geen ‘progesteronproza’ te introduceren.

Zulke aanvullingen ondergraven de autoriteit van beweringen. Volgens Trouw kennen vrouwen in fictie bij literatuurgeschiedenissen vier gedaanten: ‘moeder, femme fatale, hoer, verschuifbaar object’. Een week later zijn dat in De Standaard vijf ‘stereotype [sic] rollen (…): moeder, femme fatale, fragiele engel, hoer, bazig kreng’.

Ook belangrijk onderzoek van Corina Koolen wordt met veel gemak geannexeerd. De tweede versie heeft ingevoegd dat volgens haar de helft van de professionele auteurs ‘immers’ vrouw is. Maar Koolen schatte dat het er meer zijn. Dat zij bovendien geslachts- én genreafhankelijke toekenningen van werkbeurzen behandelde blijft onvermeld; ingevoegd ter zake is ouder polemisch geweld van Gaea Schoeters. Wel wordt aan Koolens ‘onverbiddelijke computeranalyses’ de zekerheid ontleend ‘dat lezers minder onder de indruk zijn als ze weten dat een boek door een vrouw is geschreven’. Maar dit onderzoek leidde tot meer conclusies: met achterhaalde poëtica’s etaleren lezers een bedenkelijke smaak van wat dan wel goede literatuur zou zijn.

Wel past de Koolen-reductie bij de door het kwartet auteurs bestreden ‘misvatting dat onderwerpen als opvoeding en het huiselijke zogenaamde “wissewasjes” in keuken of slaapkamer zijn. Alsof achter de commode geen hevige, betekenisvolle oorlogen gevoerd kunnen worden. Het valt op dat wanneer mannen deze zogenaamd “knusse”’ onderwerpen aanpakken, zij juist lof toegezwaaid krijgen voor sensitiviteit, moed en humor’. De knipoog van de wissewasjes kan ik inmiddels plaatsen en dunkt me rijkelijk verrimmeld, maar ik weet niet welke mannelijke auteurs hier bevoordeeld zouden worden. Millennials misschien die discussiëren over hun ‘problematische mannelijkheid’ en hun ‘seksualiteit’? Mij lijkt juist dat hun smaad ten deel zou vallen wanneer ze intieme boeken zouden publiceren als van de veelgeprezen Deense schrijfster Tove Ditlevsen.

De misvatting botst bovendien met de ingevoegde diagnose van het ‘testosteronproza’ bij mannen. Daarmee doelde Marja Pruis trouwens op welgeteld drie bestsellerauteurs, onder wie Wieringa als columnist zijn vaderschap in stelling kan brengen. Het zal waar zijn dat de prijzen nog meestal naar meneren gaan, maar warm is hun ontvangst niet. Dat zou Manon Uphoff kunnen weten. Bij de Librisprijs gold zij als de morele winnaar, terwijl laureaat Sander Kollaard, al dan niet achteraf, zijn sensitiviteit aangewreven kreeg.

Stokpaardjes

Ik heb de indruk – maar ten gronde is dit niet te bewijzen – dat de sterren juist gunstig staan voor vrouwelijke auteurs. Behalve voor Ditlevsen is er plots waardering voor pakweg Anjet Daane en Annie Ernaux. Dat is terecht, maar geschiedt volkomen onverwacht en bovenal uniform, ten gunste van auteurs die al jaren publiceren. Een klimaatverandering, de tijdgeest? Voor zulke processen was er ooit de term ‘orkestratie’, waarin noch de mediatisering van het literatuurbedrijf noch de diffuse invloed van sociale media was verdisconteerd. Ik vrees dat ik nu een oud stokpaardje van stal haal, maar wat we over literatuur vernemen gaat ver voorbij ‘genderongelijkheid’. Het maatschappelijk debat en de kleine groep van steeds dezelfde auteurs die daarover het woord krijgt, zijn in hoge mate gestuurd. In wat we vernemen heeft de schifting reeds plaatsgehad door de onzichtbare hand op de zogenaamd vrije markt van ideeën.

De teksten in Trouw en De Standaard zijn daar helaas proeven van. Het pleidooi sluit naadloos aan bij ideologische trends en anders dan vele vrouwelijke auteurs zijn Speet, Loontjes, Uphoff en Verbeke bekende gezichten in media. Fascinerend, maar ook pijnlijk, is bovendien de volgorde waarin over de Lage Landen hun betoog werd verspreid. Wat er ook allemaal bij gelegenheid beweerd wordt, de rangschikking blijft: eerst Nederland, dan België. Daar zit een melange van routine, dominantie en horigheid in. De aangepaste versie werd niet eens verantwoord als herpublicatie. Ze was integendeel het omslagverhaal van De Standaard der Letteren, inclusief de verruimde namen waartussen Burnier was verwijderd. Spraakmakend! Genoemde Belgische literatuurbijlage kenmerkt zich überhaupt door vaste Noord-Nederlandse recensenten en columnisten die Noord-Nederlandse boeken en kwesties bespreken.

Zo liggen de machtsverhoudingen, in de ruimte die media scheppen. Daar kunnen mensen instappen die in laatste instantie zelf beslissen of ze relevante bijdragen leveren aan het publieke domein. In het kader van dominantie en diversiteit valt bij literatuur dan evengoed – sorry, nog een stokpaardje van mij – te denken aan recensenten en wetenschappers die ook plaatsnemen in jury’s. In elk geval hebben in de actuele publieke ruimte naar mijn idee niet-mannelijke auteurs, zeker iemand die persoonlijk wil zijn, podia te over gekregen. Voor mij onnavolgbaar, en zeker onbenijdenswaard, is bijvoorbeeld wat Niña Weijers recent gebeurde. Ze volgde de millennialgewoonte om privékwesties openbaar te behandelen en onthulde in een column een zwangerschap. Een dag later stond dat op een literaire nieuwssite, met vermelding van de vader (ook uit het circuit), en een weer een dag later werd het nationaal algemene achterklap. Nee, dit is geen canonisering, wel het voorgeborchte ervan. Juist voor jongeren, en onderwijs dat aan actualiteit gebonden is, wordt Weijers zo een naam om te onthouden.

En dat de panelen toch ook op prijsgebied aan het schuiven zijn, met wat het artikel bijna hallucinant ‘incidentele douceurtjes’ noemt, heeft het zowel aan Nederland als aan België zelf meegedeeld: ‘Bij de Herman de Coninck Poëzieprijs gingen de nominaties vorig jaar alleen naar dichteressen, Eva Gerlach won en Radna Fabias het jaar ervoor.’ Of dit nu reden moet zijn voor triomfalisme, weet ik niet. Ik snap het eigenlijk niet, vanuit het oogpunt van diversiteit: hetzelfde anders, maternalisme in plaats van paternalisme. De mededeling verdient bovendien nuance: in het Fabias-jaar waren de nominaties over de geslachten verdeeld, in het Gerlach-jaar behoorde Marieke Lucas Rijneveld, ‘lhbt’, tot de genomineerden. Er was nog iets opmerkelijks aan laatstgenoemde editie: de jury bestond uitsluitend uit vrouwen. Is dat vooruitgang die structureel verbetert?

Mij ontgaat waarom Speet, Loontjes, Uphoff en Verbeke zwijgen over de prestigieuzer Grote Poëzieprijs, evenzeer de laatste twee jaar gewonnen door dichteressen (Fabias en Tuinman). Ook daar kende de recentste editie een exclusief vrouwelijke jury. Wel ontsnapt Vrouwkje Tuinman in haar bekroonde bundel Lijfrente aan het man-vrouwschema dat de auteurs hebben geconstrueerd (ze rouwt om haar overleden vriend). En zo heeft iedereen waarschijnlijk wel gemeenschappelijke verschillen. Wat de drie auteurs in Trouw en de vier auteurs in De Standaard hoe dan ook bindt, is dat ze witte academica’s zijn. En ik? Momentje, ben net mijn blinde vlek aan het wegpoetsen.