Ceci n’est pas un vase

Wonen in gedichten (22)

Door Judit Gera
Categorie: poëticaal
Moeilijkheidsgraad gedicht: gevorderden

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: een gedicht van Pieter Boskma (1956).

Vaas

De gave van de spraak heeft mij bereikt,
elk ding wordt ingekapseld in zijn naam
en raakt zijn bedding in een context kwijt
en komt volkomen op zichzelf te staan.

De vaas verdubbelt niet meer in de ruit
en wordt niet langer door de zon gekust;
de vensterbank viel plots onder hem uit
al is hij daarvan niet bewust.

De ochtend die hem blozen deed,
de maan die zich in wazig groen
spookachtig in hem vastbeet

zijn hem vreemd geworden nu de taal
hem abstraheert uit levend visioen
en tot vier letters, ‘vaas’, bepaalt.

Uit: Van de zoon en de zee, 2019

Pieter Boskma heeft een rijk oeuvre waarmee hij al veel prijzen heeft gewonnen. Hij debuteerde met de bundel Doodsbloei in 2010 waarin hij de rouw over het verlies van zijn vrouw verwerkt. Daarna volgden nog een aantal succesvolle bundels zoals Mensenhand (2012), Zelf (2014) en Tsunami 2016).

In Van de zoon en de zee hoort de lezer drie stemmen. Die van het kind dat vanuit de moederbuik vertelt. Hij doet verslag van zijn geboorte en hoe hij met de wereld kennismaakt. De andere stem is afkomstig van de zee die nogal dreigend klinkt. Het enige wat de zee vertedert is het onschuldige kind. De derde stem is die van de vader die net zo ontroerd is door het kind als de zee.

De titel van het gedicht, Vaas, valt op. Er wordt verwezen naar een ding, lijkt het. Maar er staat niet ‘De vaas’, er staat ‘Vaas’. De eerste regel legt zelfs direct een verband met het uitspreken van het woord ‘Vaas’ en dat is toch iets anders dan een objectieve beschrijving van de indrukken die een bepaalde vaas, ‘De vaas’, op het lyrische ik maakt. Het gaat kennelijk niet om een ‘Dinggedicht’, zoals we deze bij Rilke (1875–1925) tegenkomen. Niet het wezen of eigene van een vaas wordt belicht. Maar er lijkt hier sprake van een ‘hypertekst’, van een klein college taalfilosofie. ‘Vaas’ of een willekeurige vaas is aanleiding tot gedachten over een woord. De dichter bepaalt de lezer bij de problematiek van taal en werkelijkheid.

Dit gedicht – een sonnet – laat de stem van het kind horen. Beter gezegd het is een dubbele stem: die van de volwassene die op latere leeftijd over zijn ervaringen als jong kind zelf reflecterend vertelt. De ervaring die hier opgeroepen wordt is het moment waarop het kind net kan spreken. Het sonnet begint met een apodictische zin: ‘De gave van de spraak heeft mij bereikt.’ De gave van de spraak betekent een waterscheiding in het leven van elk kind. Het krijgt macht over de taal en daardoor in zekere zin ook over de wereld om zich heen. Het kan de dingen voortaan zelf een naam geven. Voordat een kind dat zelfstandig kan, heeft het een heel proces doorgemaakt, waarin het door imitatie en interactie, in een talige omgeving geleerd heeft te spreken en te benoemen. Voor die tijd ging het op in een naïef vermoeden van een direct verband tussen woorden en dingen, alsof er sprake zou zijn van een ‘natuurlijke’ identiteit tussen deze.

De volgende lange zin is dermate complex dat deze wel van een volwassen spreker moet komen. De eerste stelling is dat alle dingen om ons heen zijn ingekapseld in taal. Bereikt ons eenmaal de gave van de spraak, dan zijn alle dingen in deze spraak te vangen. De tweede stelling luidt: elk ding raakt zijn bedding kwijt in een context. Bedding betekent hier de natuurlijke, onberedeneerde, niet talige omgeving van het ding: lucht, licht, voetstuk, materialiteit. Met context wordt hier waarschijnlijk de talige context bedoeld. In een talige, culturele samenhang verliezen de dingen hun oorspronkelijke bedding, ze verliezen hun levende, fysieke karakter. Bedding en context zijn hier variaties op elkaar: bedding is pre-verbaal, context is verbaal. Met de spraak krijgt het ding een naam, het ding verandert in een woord. De derde stelling formuleert het resultaat van deze verandering: het woord verleent het ding zelfstandigheid, het ‘komt volkomen op zichzelf te staan.’ De bedding die de dingen oorspronkelijk nog verbond met woorden is verloren gegaan. Er kristalliseert zich als het ware een onderscheid uit tussen ‘woord’ en ‘ding’. De bedding die de dingen nog verbond, is verloren gegaan, het talige universum is geboren. Voor een kind dat net kan spreken, staan de woorden eerst nog ‘volkomen op zichzelf’, zonder verband.

In de tweede strofe wordt beschreven wat er gebeurt als de bedding opdroogt. Het is voor de werkelijke vaas een ware aardbeving, er staat ‘plots’. Het ‘woord’ stoot het ‘ding’ van zijn voetstuk, de dood als ding valt samen met de geboorte van het woord. Het verlies van de bedding wordt in drie ontkennende zinnen en een mededelende zin weergegeven. In de eerste ontkennende zin wordt verteld dat de vaas zijn weerspiegeling in de ruit verloren heeft. Zonder lichtbron is weerspiegeling niet mogelijk. Ook de tweede ontkennende zin heeft met het licht te maken: de vaas wordt ‘niet langer door de zon gekust;’ Het eerste deel van de volgende samengestelde zin is mededelend: ‘de vensterbank viel plots onder hem uit’. De vensterbank hoort net zo goed tot de bedding van de vaas als het licht. Als het onder de vaas uit valt, heeft de vaas geen vaste bodem meer, kan niet meer staan. Het tweede deel van de samengestelde zin is weer ontkennend: ‘al is hij zich daarvan niet bewust.’ Er is in dit proces langzaamaan en ‘onbewust’ geen sprake meer van een direct verband tussen woorden en dingen. Door de gave van de spraak is ‘vaas’ niet wat het in een pre-verbale, magische werkelijkheid nog kon zijn voortkomend uit een bijna animaal/natuurlijk verband tussen taal en werkelijkheid. Vaas wordt niet langer door de zon gekust, de vensterbank viel onder hem uit. Anders gezegd: er is geen intrinsiek verband tussen de woorden en de dingen, woorden voor dingen zijn conventies en volkomen arbitrair. De kwatrijnen van dit sonnet vormen een duidelijke eenheid. Een (nog onbewust) proces van ‘taalverwerving’ (en volwassenwording) lijkt op gang gekomen.

De twee terzetten bestaan uit één lange samengestelde zin. (Op het eerste gezicht lijkt het alsof het met het rijm niet zo nauw genomen wordt. Maar het rijmschema efe/- f – blijkt bij nadere analyse een inhoudelijke toespitsing te willen onderstrepen.) Ochtend en avond (maan) en het bijbehorende licht schetsen een romantisch, ja misschien wel erotisch tafereel. De vaas bloost en de maan bijt zich in hem vast.  Deze erotisch getinte handelingen worden door het rijmpaar ‘deed’ en ‘vastbeet’ (e-e) benadrukt. Het wazig groen’ rijmt met ‘levend visioen’. (f-f) Dit is magie.  Maar door de taal verliest de vaas in het laatste terzet dit magische karakter. Lichamelijkheid en materialiteit en zijn fysieke schoonheid verdwijnen. Abstractie leidt tot vervreemding. Is de ‘inkapseling’ uit de eerste strofe niet een verarming in vergelijking met de ‘levendige’ rijkdom van de werkelijkheid?

 Op dit punt schudt het gedicht de lezer wakker. Als in een boemerang-effect wordt hij zich bewust van wat taal vermag. Een vaas wordt gekust, een vaas moet blozen en de maan bijt zich in hem vast. Novalis laat zich groeten: ‚die Poesie heilt die Wunden, die der Verstand schlägt.‘ De (poëtische) taal geeft pas betekenis aan de vaas, zou je kunnen zeggen. Dat is iets wat dieren niet kunnen. Dieren communiceren met elkaar, maar mensen kunnen met ‘vier letters’ nieuwe werkelijkheden scheppen.

Het gedicht doet denken aan het beroemde schilderij van de Belgische surrealistische schilder René Magritte: Ceci n’est pas une pipe (Dit is geen pijp) uit 1929. De pijp die de toeschouwer afgebeeld ziet, is alleen maar de representatie van een werkelijke pijp. Het is een kunstwerk. Artistieke en literaire werken zijn representaties van de werkelijkheid vanuit een bepaald perspectief en niet de werkelijkheid zelf. Het gedicht ‘Vaas’ vat de vaas als ding niet. De problematiek van de identiteit van taal en werkelijkheid is door veel (taal-)filosofen behandeld. Eén van hen is de Pools-Amerikaanse filosoof Alfred Korzybski (1879–1950), de bedenker van de ‘generale semantiek’. Een van zijn belangrijkste stellingen is dat we (kort gezegd) nooit direct toegang hebben tot de werkelijkheid. De werkelijkheid wordt slechts ontsloten via taal. Bij wijze van illustratie zei hij: ‘The map is not the territory.’ (De kaart is niet het gebied). Met andere woorden: er is geen identiteit tussen woord en ding. Om met Magritte te spreken: Ceci n’est pas un vase. Het is wat Boskma met zijn gedicht laat zien: taal schept nieuwe werkelijkheid. En het gedicht Vaas? Het kan best iets heel anders betekenen.

Afbeelding van SnapwireSnaps via Pixabay