Bloemenspraak

Door Ewoud Sanders

Veel mensen zijn ervan overtuigd dat het leven honderd jaar geleden veel minder gecompliceerd was. Tot voor kort kon ik daar niet veel tegenin brengen, maar een paar dagen geleden kreeg ik een boekje in handen dat me op andere gedachten heeft gebracht. Het telt slechts 64 pagina’s en dateert van omstreeks 1875. De titel luidt Nieuwste bloemenspraak en het is uitgegeven bij P. Kluitman te Alkmaar.

Wat is de boodschap als je tegenwoordig iemand een bloemetje geeft? Bedankt, beterschap of sorry bijvoorbeeld. ‘Zeg het met bloemen’ is een leus die je nader kunt invullen.

Nee, dan in de negentiende eeuw, toen wist men nog wat een ruiker te beduiden had. En wie dat niet wist, kon in Nieuwste Bloemenspraak de symbolische betekenis naslaan van de belangrijkste bloemen, planten, gewassen en vruchten.

Hoe verfijnd moet het leven toen zijn geweest. En hoe gecompliceerd ook! Want je moest natuurlijk niet met de verkeerde struik komen aanzetten. Zo wilde het geven van aloëbloesem volgens Bloemenspraak zoveel zeggen als ‘Gij schrikt mij af met uw ijverzucht’. Ook was het geen compliment om amaryllis te ontvangen. Daarvan luidde de boodschap: ‘Trotsheid. Uw schoonheid verblindt, maar verwarmt het hart niet.’ Het geven van essenkruid moet gelijk hebben gestaan aan een oorlogsverklaring: ‘Ik moest u eigenlijk verachten, reken dus nimmer op wederliefde.’

Natuurlijk kon men ook positievere berichten overbrengen. Bijvoorbeeld ‘Uwe zachtmoedigheid zal eenmaal voor den man, die u de zijne mag noemen, de aarde tot een paradijs maken’ – wat de symboliek zou zijn van de framboos. Met een ananas gaf men meteen een mondvol: ‘Zoet als nectar zijn uw kussen, maar zelden schenkt ge ze; de man is te benijden, die u eenmaal naar hartelust mag kussen.’ Doortastende figuren gaven een monnikskap: ‘Kom, mijn engel, kom bij me in mijn vriendelijke kamertje.’

We lezen ook wat je moest doen als de juiste bloem niet verkrijgbaar was of als je simpelweg geen geld had voor een boeket. Dan was er altijd nog de ‘teekenspraak’ die achterin dit handzame boekje wordt uiteengezet. De (anonieme) auteur legt het zelf het best uit. ‘Wanneer een heer met zijn schoone onmogelijk mondeling kan zeggen wat hij wil, maar haar alleen door het venster ziet en toch met haar spreken wil, dan gebruikt hij de volgende teekenspraak, namelijk door zich nu eens hier dan weder daar aan te raken.’

Je kon bijvoorbeeld het woord geliefde in tekenspraak overbrengen. ‘Dan legt een heer eerst de hand op het hart G, grijpt vervolgens naar zijn elleboog (E), dan naar zijn lip (L), steekt vervolgens zijn middelvinger op (I), grijpt weer naar zijn elleboog (E), kruist de armen op de borst (F), grijpt dan zijn duim (D) en vervolgens weer zijn elleboog (E).’

Je ziet het ze doen, de verliefde jongemannen in de negentiende eeuw. Midden op straat hun middelvinger opsteken naar hun geliefde achter het venster. Laat niemand meer denken dat het leven honderd jaar geleden makkelijker was.

Dit stukje verscheen in Helder mij even op, een bundeling met WoordHoek-columns uit NRC.
Het werd afgelopen zaterdag besproken in De Taalstaat.