Aan de zuidkant van de tafel

Door Henk Wolf

Een huis heeft altijd meer dan één muur. ‘De muur’ is dus altijd dubbelzinnig en mensen bedenken van alles om zo’n woordgroep één specifieke referent in de werkelijkheid te geven, bijvoorbeeld door er ‘de muur aan de gangkant’, ‘de rechtermuur’, ‘de buitenmuur’ en ga zo maar door van te maken. Die noodzaak om te disambigueren geldt niet alleen voor muren, maar ook voor zoveel andere dingen ‘om hûs en hear’.

Dat de plaats waar je woont, invloed heeft op de manier waarop je eenduidigheid aanbrengt, is me het afgelopen jaar door ervaring sterk bewust geworden. Mijn vrouw zit tegenwoordig meestal aan de noordkant van de etenstafel, ik aan de zuidkant. We hebben een perenboompje aan de westkant, een aan de zuidkant en nog een op het veld. Misschien bouwen we ooit nog een stalling voor de auto’s aan de oostkant van het erf (allemaal in het Fries, overigens).

Toen we in de stad woonden, gebruikten we doorgaans foar- en achter- of ‘oan de kant fan buorman X’. Ik had het wel altijd over de westkant en de eastkant van de straat, maar dat heeft m’n vrouw nooit overgenomen. In een stadsomgeving, met de horizon soms op een steenworpje afstand, was de windrichting geen erg voor de hand liggende nadere bepaling voor muren, tafelkanten en andere zaken waarvan we er meer dan één hadden.

Nu wonen we aan een zes kilometer lange weg die van noord naar zuid loopt, tussen de weilanden. Ons huis heeft door verschillende uitbouwen geen duidelijke voor- of achterkant. Directe buren hebben we niet. Het ligt niet voor de hand het pragmatische systeem van de stad te blijven gebruiken. Maar wat in zo’n open landschap aan een noord-zuidweg wel altijd duidelijk is, is waar noord-oost-zuid-west ligt.

Het Noord-Fries

Erk Petersen, een van mijn leermeesters wat betreft het (Duitse) Noord-Fries, is opgegroeid in de Noord-Friese polders van Niebüll. Hij vertelde me dat in zijn jeugd iedereen in zijn streek de positie van dingen in en om huis met de windrichtingen aanduidde wanneer er een disambiguering nodig was. For- (voor-) en ääder- (achter-) kwam in het Noord-Fries van zijn jeugd ook wel voor, maar leefts (links) en ruchts (rechts) veel minder. Nu is dat anders, legt hij uit:

“Nü weer åles sü tächtbäiged as, namt huum san än winruchting goor mär rucht woor”
(Nu alles zo dichtgebouwd is, neemt men zon en windrichting helemaal niet meer echt waar.)

Hij vertelt dat ook de bouwrichting in de polders bijdroeg aan dit taaleigen fenomeen:

“Da üülje frasche hüsinge, wjarn gewöönlik önj e ååst-weest ruchting bäiged. (Bousem önjt ååsten; boogdiilj önjt weesten). Dan hül e tååge aw norder-lungsid foole långer as aw söödersid – sanenschin än söörweestenwin – ma rin ooftingenooch – nömen et räide ordi ma.”
(De oude Friese huizen waren gewoonlijk in oost-westrichting gebouwd. (Stal in het oosten, woongedeelte in het westen.) Toen hield het dak  het aan de noordelijke langszijde veel langer uit dan aan de zuidzijde – zonneschijn en zuidwestenwind – vaak met regen – gaven het riet veel te lijden.)

Verstedelijking als bedreiging van talige rijkdom

De nieuw ontstane (of uit d’r doornroosjeslaap gewekte) manier van disambigueren versterkt overigens onze ruimtelijke oriëntatie. Terwijl ik er in de stad even over had moeten nadenken, weet ik in ons huidige huis ook ’s avonds laat met de gordijnen dicht, feilloos dat m’n computer ten westen van me staat en m’n telefoon ten noorden van me ligt. Taal en denken zijn met elkaar verweven.

De oriëntatie binnenshuis met windrichtingen is natuurlijk niet uitsluitend een Gronings-Fries fenomeen. Erk Petersen vertelt me dat hij het ook op het Deense schiereiland Skagen is tegengekomen. Vermoedelijk zijn er veel meer talen waarbij de windrichting een rol speelt in het pragmatisch systeem. Dat zullen grotendeels talen zijn die in open landschappen worden gesproken. En dat typerende stukje van de taal verdwijnt als de horizon dichterbij komt. Het moderne Noord-Fries heeft zich in z’n pragmatisch systeem al bij het Duits aangesloten.

Wie in taalbehoud ook het behoud van een grote rijkdom aan pragmatische systemen ziet, kan zich afvragen of de verstedelijking niet ook een bedreiging is voor die rijkdom in onze eigen omgeving.

Met dank aan Erk Petersen