Tieneke en Constantientje

door Jan Stroop

In de biografie van Christiaan Huygens van Hugh Aldersey-Williams, kortgeleden vertaald verschenen als “De eeuw van het licht”, las ik dat de oudste zonen van  Constantijn Huygens in de familiekring Tien en Tiaen genoemd werden (blz. 132). Dat is interessant, dacht ik. De laatste naam is natuurlijk de verkorte vorm van Christiaan, de voornaam van de beroemde natuurkundige, maar Tien gaat terug op Constantijn, maar dan wel uitgesproken met een [i]. Dan zou ik ook wel eens willen weten hoe vader Constantijn zelf zijn naam zal hebben uitgesproken.

    Tieneke Huygens



Hoe Huygens door zijn vader Christiaan (1551-1624) genoemd werd, komen we te weten in de beschrijving die deze Christiaan geeft van de jeugd van zijn kinderen. Hij noemt zijn tweede zoon (de latere dichter Constantijn I, 1596-1687) daar Constantineken. Daarnaast gebruikt ie ook de vorm Constantin (Huygens herdacht, 81).

De afkorting Tien en ’t  verkleinwoord daarvan, Tieneke, werden later ook gebruikt voor Constantijn II (1628-1697), de oudste zoon van Constantijn I. Dat blijkt uit Huygens’ beschrijving van de laatste levensdagen van zijn geliefde vrouw, Suzanne van Baerle. Ze is stervende, zoontje Constantijn verblijft wegens ziekte in Utrecht en mag niet naar Den Haag komen. De vader wil een boodschap van de moeder aan ’t jongetje overbrengen en vraagt haar: “wat sij aen Tieneken wilde geseght hebben”. (Huygens herdacht, 101)

De naam Tien bleef in de familie gangbaar, want ook de zoon van Constantijn II, Constantijn III, werd zo genoemd. “Was met mijn vrouw, Tientje, Broer en Oldersom, die hem daer bij voeghde, in een koets naer Winsor, daer het casteel sagen. Tien reed op Oldersoms peerd een blickneers”, schrijft Constantijn II (Constantijn Huygens Jr, Journaal, blz. 161).  (blikaars betekent ‘een ontvelling op ’t achterwerk’)

Met zoveel Constantijns bij elkaar, ga je ook denken aan nog een beroemde naamdrager uit diezelfde tijd, ’t jong gestorven zoontje van Vondel, die daar zijn gedicht Kinder-lyck (1632) aan gewijd heeft. Vondel koos voor de in zijn familie ongebruikelijke voornaam Constantijn vanwege zijn grote bewondering voor keizer Constantijn de Grote, aan wie hij een epos wilde wijden. Hij was er aan bezig toen dat jongetje geboren werd en korte tijd later stierf (Calis, 149-152).

Dit zijn de eerste twee regels van Kinder-lyck, die ik hier citeer en wil bekijken om die prominente drie ij‘s:
Constantijntje, ’t zaligh kijntje,
Cherubijntje, van om hoogh…

In haar uitgave van Vondels toneelstukken wijst M.A. Schenkeveld-van der Dussen al op de kwestie van de ij:  “Een moeilijk geval bij herspelling vormen bepaalde woorden met ij, zoals ‘bandijten’ dat Vondel laat rijmen op ‘wrijten’, maar dat ook buiten rijmpositie voorkomt. Na rijp beraad heb ik die vormen gehandhaafd. De uitspraak van de ij (ook wel dubbele i genoemd) in Vondels tijd liet verschillende mogelijkheden toe. Waarschijnlijk was een klank die tussen onze ‘ie’ en onze ‘ij’ inligt.“ (Schenkeveld, 332)

Met die ‘verschillende mogelijkheden’ ben ik ’t wel eens. Maar in dit geval kun je goed bepalen hoe die ij uitgesproken werd, aangenomen dat Vondel de woorden bandijten  en wrijten volledig wilde laten rijmen, en zo was ie wel. Goed rijm was hem een prioriteit. Zie al die gevallen van ongebruikelijke woordvormen die in de Werken (WB-editie) verklaard worden met formuleringen als: ter wille van ’t rijm; ingevoegd voor ’t rijm; hier voor ’t rijm gebezigd; hier rijmshalve; Beschudde om het rijm, voor beschutte.

Als Vondel twee woorden op elkaar laat rijmen moet hun klank dus wel overeenkomen. Uit een van de twee kan de klankkwaliteit afgeleid worden, namelijk ’t woord waarvan de uitspraak vaststaat. Hier is dat bandijten. Dat woord is via ’t Duits aan ’t Italiaans ontleend, en heeft vanouds een [i] in zijn tweede lettergreep. De spelling was doorgaans bandit of bandiet. De [i]-klank in dit woord is altijd onveranderd gebleven, bandiet. Dat betekent dat dan ook ’t rijmwoord wrijten met diezelfde [i] werd uitgesproken.

Er zijn bij Vondel volop gevallen als bandijten/wrijten. In deel 1 van de Werken, blz. 277:
Aenschouwer, off het u een dwaesheyt docht verwytel
Dat t’redelijcke Dier onaerdich met den tijtel

In Werken, deel 7, blz. 95, vond ik:
Des vaderlants en ’t volck, verbittert tegens my,
Met recht een straf verdient. ick, aen mijn tyranny.
Op al deze plaatsen is de ij/y ongetwijfeld als [i] uitgesproken.

De ij in Constantijntje en cherubijntje kan in Vondels tijd staan voor de oude [i], kort of lang, maar ook voor een diftong [ei]. Wikipedia maakt er een zinnige opmerking over: “Toen Vondel dit gedicht schreef in 1632 was de gewone uitspraak van de ij al vele jaren /ei/. Maar om dit gedicht wat plechtiger te maken, koos Vondel voor de ouderwetse uitspraak /ie/, dat kunnen we afleiden uit de titel en het woord ‘kijntje’, dat immers nooit als /keintje/ is uitgesproken.”

Hoe dat kijntje dan wel uitgesproken werd, daarover zwijgt Wikipedia. ’t Woord komt in Vondels werken uit deze periode (die van deel 3, dat gaat van 1627  tot 1650) tientallen keren voor, steeds gespeld als kind, iets minder vaak als kint.  De spelling met een ij, kijntje, gebruikt Vondel maar één keer en dat is uitgerekend in ’t gedicht Kinder-lyck. Kind rijmt altijd op woorden die ook met [i] gespeld worden. Dit zijn enkele gevallen:

Noch distelen men ergens vint,
Want ghy sijt Floraes echte kint. (Werken, deel 3, blz. 424)

Door soo veel’ wellusten verbind,
Als eertijds ’t schutterlijcke kind  (Werken, deel 3, blz. 160)

Dan lijkt ’t me niet te gewaagd om aan te nemen dat ’t letterteken ij in dat ene kijntje  voor dezelfde klank staat als de spelling i in alle andere gevallen, inclusief in de titel van ’t gedicht Kinder-lyck. Hoe die precies klonk weten we nu nog niet, maar wel dat ’t zeker geen diftong (tweeklank) ei was, dus inderdaad geen keintje. Misschien brengt Vondels  geschiedenis ons verder.

Vondel is in Keulen geboren uit Antwerpse ouders. ’t Gezin verhuisde later naar Amsterdam en betrok een huis waar ze woonden in de Warmoesstraat. “Uiteraard leefden zij in contact met de reeds eerder uitgeweken en in Amsterdam tot rust gekomen Brabantse landgenoten; met name in de Warmoesstraat en omgeving woonden talrijke uitgewekenen bij elkaar; zij vormden een clan temidden van de Hollanders, die op den duur sterk de invloed zullen ondergaan van deze inwijkelingen.” (Knuvelder 1971, 313).  

Maar wat in verband met Vondels taalgebruik nog meer zegt, is Vondels eigen verontschuldiging in ’t bijzonder dit punt 3: “Maer eer ghy u aen onze rymen ergert, zoo bidde ick dat ghy eerst deze dingen op de ryge overweeght: [………….] 3. dat mijn moeder my geen beter nederduyts geleert heeft. “ (in de Voorreden bij De Heerlyckheyd van Salomon (1620), Werken deel 2, blz. 229). Die moeder sprak natuurlijk Antwerps, de vader ook trouwens, want ander Nederlands bestond er toen in Antwerpen niet.

Een belangrijk gegeven is dat de [I] o.a. in woorden als pit, wit, kind, bezit in de zuidelijke dialecten, o.a. in stad en provincie Antwerpen een meer gesloten uitspraak heeft en klinkt als ie /i/: kiend, wiend, wiet, bienen, diengen, enz.. De Antwerpse uitspraak van kindje is kiendje of kieneke en die moet Vondel door ’t hoofd  gespeeld hebben toen hij zijn gedicht concipieerde, waar gerijmd moest worden op de ie-klank van Constantijntje en Cherubijntje.  Dat hij kijndje schrijft en niet kindje lijkt me een geval van ‘rijm (voor het oog)’, een term die in de Werken regelmatig gebezigd wordt, eenvoudig omdat Vondel dat ‘rijm voor het oog’ wel vaker toepast, want kijk eens naar deze vier rijmparen:

Nu treurt Staetdochters, treurt, en krenckt vry al uw zinnen:
Want met haer vleug’len nu de goude Cherubinnen (deel 2, blz. 154)

Ten zwarten afgront of ten hemel vaeren in.
Daer blinckt de Serafyn: daer straelt de Cherubin
: (deel 9, blz. 891)

Hoe schittert hier de schacht der Cherubijnen!
Ick zie om hoogh een’ hemel nederschijnen; (deel 2, blz. 656)

Nu mijmertse in den tuin, daar schildpad Cherubijn
Dolfijn en koprenslang braakt levend kristalijn.
(deel 2, blz. 887)

Waarom schrijft ie in de eerste twee citaten geval Cherubinnen en Cherubin? Omdat ’t ook voor ’t  oog moet rijmen op zinnen en in. Let op de verdubbeling van de n in Cherubinnen en op ’t verschil dat ie vanwege in maakt tussen Serafyn en ’t rijmwoord Cherubin. Bij Cherubijnen en Cherubijn wordt er ook zichtbaar gerijmd op nederschijnen en kristalijn. Maar dit oogrijm is natuurlijk bij Vondel alleen maar mogelijk als de betrokken klinker in al die gevallen (ongeveer) ’t zelfde is. Ik denk dat dat iets was tussen [I] en [i], tussen pit en Piet, in elk geval geen tweeklank dus. Dat je bij Vondel ook geen rijmparen ei-ij aantreft, heeft behalve met ’t oor zeker ook met ’t oog te maken.

Terug naar Kinder-lyck. Er is nog een factor die hier een rol speelt. Constantijntje is een persoonsnaam en persoonsnamen blijven, net als familienamen, vaak achter bij  ’t proces van diftongering. Dus terwijl gewone woorden al lang  gediftongeerd zijn, behouden die namen vaak hun oorspronkelijke vocaal en oorspronkelijke spelling, zoals nu nog bij een woord als bijzonder ’t geval is. Soms werden de namen dan ook anders gespeld, vaak ook niet. Zie Stroop 2017.   https://www.neerlandistiek.nl/2017/02/maar-t-is-eigenlijk-oleislagers/

Omdat Vondel Constantijntje en Cherubijntje met een ij schrijft moet ie dat ook doen bij kijntje. Maar waarom ie driemaal een ij schrijft en geen i, is me nog niet duidelijk. De naam van de keizer schrijft ie buiten rijmpositie als Constantin: O Constantin, die nu, by God, een waerder kroon  (deel 3 , 716), maar in rijmpositie als Constantijn

En ‘k soude uw heuscheit danckbaar sijn,
Ten deed de groote Constantijn (deel 3, blz. 395)

Misschien vond ie een ij in rijmpositie er beter uitzien, maar hoe dan ook, de voordracht van de aanhef van ’t gedicht Kinder-lyck luidde in Vondels tijd:

Constantientje, ’t zaligh kientje,
Cherubientje, van om hoogh.

D’ydelheden, hier beneden,
Vitlacht met een lodderoogh
.


In 1625 schreef Vondel dit lofdicht op de bundel De Ledige Vren van Constantijn Huygens:

Op de ledige vren van den Geestrijcken Heere
Constantin Hvygens.
De groote Constantijn magh brallen op sijn’ troonen,
En op’t geheylight goud van Oost, en Westerkroonen:
Maer ghy, ô Constantijn! de Phoenix van ons Hof,
En naemt sijn kroonen-goud niet voor uw Lauwer lof.
VONDEL, 1625

Vondel gebruikt ook hier verschillende schrijfwijzen voor de naam:  Constantin en Constantijn. Hij schrijft Constantin waarschijnlijk omdat de auteur zich op ’t omslag zo noemt. Nog opvallender, Vondel heeft in zijn titel de tekst van dat boekomslag gewoon overgeschreven, lijkt ’t wel. Let op tweemaal de spelling V voor U. In regel 1 wordt Constantijn de Grote bedoeld, in regel 3 spreekt ie Huygens aan.

In zijn gedicht Geboortklock Van Willem van Nassav, geboren Prince van Oranje voert Vondel Huygens ten tonele en schrijft: uw Constantin, met sijne yvoire luyt (Werken deel 2, 769). Hoe Vondel de naam van de Geestrijcken Heere uitsprak weten we niet, waarschijnlijk wel met een [i], maar wat Huygens betreft, die laat er geen misverstand over bestaan hoe hij  z’n eigen naam uitsprak.  Deze regels uit Hofwyck zijn duidelijk, omdat de rijmklank alles zegt:

Het bouenste te grond: de naem-knoop, verr gesien, 771
Lagh droeffelick geuelt, SUSANN en CONSTANTIN: 772

In ’t volgende gedicht is Huygens meer dan duidelijk:

Cort en goed
Constantinopolen, nauw langer Stadt als ‘twoord,
Ben ick, als ick ’t begin te hooren, moe gehoort.
Wat hoefter voor ijet Een soo menigh’ Tonge-bochten,
Als of wij moeyte en last voor tyd-verdrijven sochten?
Ick eer mijn’ moeder-tael voor andren, om haer Deughd,
Hoe min sij letter-lymt, hoe meer sij by mij deught.
Ick gunn Amstelredam noch eens soo groot te groeijen,
Maer, waer haer naem een stipp, hij sou mij min vermoeyen.
Veel beter waer ick C. gedoopt als Constantin,
‘k Ben geen’ twee lett’ren waerd, quell ick het volck met 10.
2. Maij.  [1681]  Huygens

(mijn vertaling)
Kort en goed
Constantinopolen, de stad is nauwelijks langer dan ’t woord,
Begin ik ’t te horen, dan ben ik al moe gehoord.
Waarom is voor één ding zo veel tongbeweging nodig,   
Alsof wij voor tijdverdrijf op zoek zijn naar last en moeite.
Ik eer mijn moedertaal voor andere, om haar deugdelijkheid,
Hoe minder letters ze verlijmt, hoe meer ze voor mij deugt.
Ik gun Amsterdam nog eens zo groot te groeien,
Maar als haar naam een stip was, te minder zou ze me vermoeien.
Veel beter was ’t dat ik C. genoemd was, dan Constantin,
Ik ben geen twee letters waard, toch kwel ik ‘t volk met 10.

Tien letters, deze dus: C.O.N.S.T.A.N.T.I.N

In ’t Latijn schríjft Huygens zijn naam als Constantini Hugenii (2e naamval, genitivus), in ’t Nederlands is ’t altijd Constantin Huygens. Dat laatste deden ook alle tijdgenoten, inclusief Vondel, en ze zullen ook wel Constantien gezegd hebben, de intimi misschien zelfs Tien.

Annonce in Tijdinghe uyt verscheyde quartieren, 18-06-1661


Gebruikte literatuur
Hugh Aldersey-Williams,  Een eeuw van licht. Het leven van Christiaan Huygens, Thoman Rap, Amsterdam 2020.
Piet Calis, Vondel. Het verhaal van zijn leven (1587-1679),  J.M. Meulenhoff, Amsterdam 2008.
M.A. Schenkeveld-van der Dussen (ed.), Joost van den Vondel, Lucifer. Adam in ballingschap, of Aller treurspelen treurspel. Noah, of Ondergang der eerste wereld , Bert Bakker, Amsterdam 2004. DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/vond001luci11_01/
Huygens herdacht, catalogus bij de tentoonstelling in de Koninklijke Bibliotheek ter gelegenheid van de 300ste sterfdag van Constantijn Huygens (redactie Arthur Eyffinger), Den Haag 1987.
Constantijn Huygens Jr., Journaal van 21 october 1688 tot 2 september 1696. Eerste deel. DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/huyg007jour02_01/
G.P.M. Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. Deel 2, 1971 (DBNL)
Jan Stroop 2017, “Maar ’t is eigenlijk Oleislagers”. https://www.neerlandistiek.nl/2017/02/maar-t-is-eigenlijk-oleislagers/
De werken van Vondel (de zgn. WB-editie), De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1927-1937. DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/vond001dewe03_01/vond001dewe03_01_0001.php