Rusk

Door Henk Wolf

Wie in de verschillende woordenboeken de Friese vertaling van roest opzoekt, vindt roast, rost, rust, ruost, roest en rûst. De meeste van die vormen heb ik weleens gehoord en gelezen, maar het zijn geen vormen die ikzelf gebruik. Voor mij heet geoxideerd metaal in het Fries rusk.

Ik ben lang niet de enige die dat zegt. Ik kom rusk in de betekenis ‘roest’ vaak tegen, bij mensen uit de hele provincie. Eigenlijk is het merkwaardig dat die vorm het woordenboek niet heeft gehaald.

De eind-k is vermoedelijk niet historisch. Ik denk dat de vorm rusk een zogenaamde back-formation is, een woord waarvan het bestaan wordt aangenomen op basis van een (vaak gewoner) langer woord. Dat langere woord is in dit geval rustkje.

Dat rustkje is gevorm uit rust – of met de in sommige dialecten gebruikelijke klinkerwisseling uit roest (denk aan fjoer ‘vuur’ met het meervoud fjurren). Het stukje -je is de regelmatige uitgang van werkwoorden die van een zelfstandig naamwoord zijn afgeleid. En de -k- heeft historisch gezien allerlei functies, waaronder het uitdrukken van herhaling of het afzwakken van de betekenis: waarschijnlijk is rustkje vanouds een milde vorm van rustje. Alleen is dat betekenisonderscheid volledig verdwenen, vermoedelijk doordat -k- in de genoemde gebruikswijze niet meer productief is. Een bewijs voor het verdwijnen van het betekenisaspect ‘mild’ is het bestaan van woorden als trochrustkje (‘doorroesten’) en fuortrustkje (‘wegroesten’).

De klank [t] verdwijnt in Friese afleidingen tussen de [s] en de [k], zodat rustkje als ruskje wordt uitgesproken. De conclusie van sprekers dat er dan ook een zelfstandig naamwoord rusk moet zijn, ligt dan voor de hand. Die moet ook al een poosje geleden zijn getrokken, want ik ken families waarin drie generaties rusk voor ‘roest’ gebruiken.

Een paar vindplaatsen van internet:

  • Nei it kommando fan John dat wy allegear de riemen wol opromje koenen en hy mei it roer de sloep wol te plak stjoere koe, siet hy efkes letter mei it helmhout yn de hânnen, troch rusk folledig trochrotte.
  • Op en oer de tors rûnen paden en leine griene en giele fjilden en ruskich brune en pearse wyldernissen.
  • As sa’n ruskige heak of sa’n môgige balke him bejout, truzelet men mei de hiele santepetyk op it beton.

Ook Tsjêbbe Hettinga gebruikt rusk voor ‘roest’ in zijn gedicht De stêd:

  • grôtfol stof en eagen skittering
    droegen fan krûme terpen skouders
    fol sissers – hark, it jok fan ’e tiid –
    ring fan rusk yn in rûzich blokhûs