In ongemak zijn we echt

door Helen Gerretsen

Wat is de inspiratie van goede kunst, goede literatuur en van de roman De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld in het bijzonder? De grote waarde van alle goede kunst, muziek, theater en ook literatuur, is dat deze onze werkelijkheidsbeleving verdiept. Bij het lezen van zulke literatuur gaan we meer voor mogelijk houden dan zonder dit lezen. We worden meer mens. Dit gaat niet zomaar. Om dit kostbaars te realiseren is natuurlijk eerst nodig dat de kunstenaar, in dit geval de schrijver, in staat is verdieping te bieden. Dat wil zeggen: de schrijver moet in staat zijn tot voldoende distantie tot de waan van de dag, meer dan gemiddeld levenskennis hebben opgedaan en hieraan ook woorden kunnen verlenen. Dit selecteert al velen uit. Maar genoeg voorwaarde is dat nog niet. De schrijver moet dit ook op zo’n manier kunnen doen, dat zij/hij de lezer ertoe beweegt het natuurlijke verzet tegen de verruiming op te geven en de geboden werkelijkheid te willen omarmen. De verdieping is meestal geen prettig inzicht, het betreft vaak juist dat wat we verdringen. Het vraagt dus kwaliteit om ons tot acceptatie te krijgen. Deze kwaliteit is tamelijk schaars. Goede literatuur zijn de pareltjes uit de zee.

Ontwrichting

En nu de vraag: is De avond is ongemak zo’n pareltje? De uitstekende ontvangst (in twee jaar al de 15e druk) lijkt dit te bevestigen, hoewel we dan nog niet weten op grond waarvan het zo wordt gewaardeerd. Een gouden hint geeft de jury die de International Booker Prize aan Rijneveld voor deze roman toekende. In haar rapport doet de jury een opmerkelijke uitspraak. Ze verklaart dat ze voor de prijs op zoek waren naar ‘een boek dat niet alleen ons dystopische heden weergalmde’. (Dystopie is het tegendeel van utopie: geen ideale, maar juist een slechte plaats om te zijn.) Dit is een prachtige doelstelling. De Booker Prize wil zich niet beperken tot een waardering van de romantechniek, maar verlangt (net als de Nobelprijs) een maatschappelijke bijdrage. Ja, een visie – en wel de uitdrukking van waardevol levensinzicht. Een uitdrukking bovendien met de kracht om de lezer van deze werkelijkheidsbeleving als een verrijking te kunnen overtuigen.

We gaan het zien. We gaan zien wat voor alle kunst een zinvolle toets zou zijn: (1) of De avond is ongemak meer biedt dan ‘ons dystopische heden’, (2) met welke literaire middelen het boek dit uitdrukt, en (3) of dit de lezer ertoe kan brengen het meer te aanvaarden. De avond is ongemak is het verhaal van een kind over de deprivatie die intreedt in het gezin nadat één van de kinderen bij het schaatsen onder het ijs kwam en is overleden. De ouders trekken zich het verlies zo aan dat ze de zorg voor de kinderen te weinig kunnen geven. Wat hierbij niet helpt is dat de strenge naleving van het protestantse geloof ze verbiedt over de dood te praten. De gezinsleden kunnen elkaar steeds minder bereiken. Het sensibele kind vertelt dit proces van ontwrichting vanuit de ervaringswereld van een tien- tot twaalfjarige, het meisje Jas.

Ten goede

Wat maakt onze samenleving in sociaal opzicht tot een dystopie, een slechte plaats om te zijn? Onze samenleving leeft nauwelijks meer samen. Het is een plaats van deprivatie: ontreddering door tekort aan beleving van genegenheid, zorg – van psychische ondervoeding. Je kan wel zeggen dat deprivatie het kenmerk is van onze tijdgeest. (Dit was het al lang, ook afgezien van de corona die het nog heeft versterkt.) Het gebrek aan contact, aan nabijheid, heeft ons uitgehold. Frustratie door gebrek geeft spanning, die zich uit in een koud hart, of in agressie. Dystopisch ook is dat aan het gemis wordt maar weinig geleden. Bij het afwerken van onze to-do-lijsten houdt het leven op, wij hebben de kracht niet meer om te beleven wat er te beleven is. Dat we zintuigen hebben, zijn we totaal vergeten. En we leven door alsof het zo ook wel goed is. Doordat er niet wordt geleden, is de verbittering juist groot, de ontvankelijkheid voor somberte, negativiteit, dreiging.

De kracht tot het bieden van een tegenwicht, van positiviteit, van tederheid, zorgzaamheid is zo goed als verloren. Als holle vaten missen we de voeding om zorg te bieden, medeleven. We wensen elkaar fijne avond en dat is dat. Ook aan de eigen onmacht tot delen van positiviteit wordt weinig geleden. We nemen genoegen met onze armoedige bijdrage. Het sociale leven is tot stilstand gekomen. We zijn uitgelopen op dood tij. Het wachten is op het opkomen van nieuwe vloed. Deze uitholling leidt tot machteloosheid. Dit is een slechte tendens, omdat machteloosheid verandering ten goede blokkeert. Goede literatuur kan met een alternatief weer inspireren tot verandering ten goede.

Te pakken

Hoe zit dit met De avond is ongemak? Je zou zeggen dat het juist een en al uitdrukking is van ons dystopische heden, met name de problemen op het niveau van deprivatie. De wreedheid die mensen elkaar aandoen door verwaarlozing of afreageren in agressie, de ontmoediging die het tekort aan genegenheid veroorzaakt, De avond is ongemak laat dit nadrukkelijk zien. Het wrijft ons de ongemakken nog eens in.

Met de dood van de oudste broer Matthies treedt de ontreddering in het gezin. Er is onvermogen om het verdriet te verwerken en het met elkaar te delen. Er rust zelfs een taboe op, vanuit het gereformeerde geloof. ‘Over de doden praten we niet. Die gedenken we.’ [blz. 117] Niemand laat zien wat er in zich omgaat. Jas is degene die dat afsluiten signaleert en die er last van heeft. ‘Er kwamen er steeds meer [speldjes in moeders haar] bij, alsof ze zo haar hoofd probeerde vast te zetten zodat dat niet opeens zou openklappen en alles tonen wat erin gebeurde.’ [blz.29] Waren vader en moeder voorheen wel in staat tot koestering, door de overweldiging van verdriet bieden ze die steeds minder. ‘Vader legt zijn hand niet langer meer op ons hoofd.’ [blz. 74]

Chantage

Vader en moeder laten zich zo door verdriet in beslag nemen dat de zorg voor de kinderen eronder lijdt. Vader vergeet naar de bakker te gaan, moeder laat nogal eens het vlees aanbranden, zodat er alleen aardappels en groente op tafel komen. Het gaat de vorm aannemen van verwaarlozing als de ouders ook steeds minder in staat zijn de kinderen de liefdevolle aandacht te geven die er voorheen wel was. De harmonie raakt verstoord. Het streng gereformeerde geloof is ook heel geschikt om schuldgevoel aan te wakkeren. ‘Vanuit het niets had moeder gezegd: ‘Ik wil dood.’ […] ‘Zie je wel, ’fluisterde ze, ‘ik ben een slechte moeder. Ik kan er beter niet meer zijn.’ Het ongemak in de titel is een eufemisme voor de soms wrede uitslagen in het gedrag waarmee de kinderen op de dood van de broer reageren. B

ij broer Obbe uit het verdringen van het verdriet zich in agressie. Hij verzint steeds spelletjes met de opzet om een dier ter dood te brengen. Of om een mens in zijn omgeving te kwellen. Bij wijze van grap verzuipt hij in het bijzijn van zijn zussen zijn hamster in een glas water. Jas ziet hoe de ogen van de hamster beginnen uit te puilen en hoe hij daarna blijft drijven. Verderop laat hij een groot konijn een te klein konijn dood neuken. Zelfs zijn zachtaardige zus Jas weet hij meermaals door chantage tot geweld aan te zetten.

De desintegratie van het gezin, maar ook in de mensen zelf verontrust Jas ernstig. ‘Hanna antwoordt niet. […] Ziet ze dan niet dat het niet goed met ons gaat? Dat we langzaam van vader en moeder afdrijven op een lelieblad in plaats van andersom? Dat de dood niet alleen in vader en moeder is gekomen, maar ook in ons zit, dat hij altijd een lichaam zal zoeken of een dier, en dat hij niet rust voordat hij iets te pakken heeft?’ [blz. 257]

Krakeling

Maar met het uitventen van de dystopie schieten we niet op. Zo zouden we erin blijven steken, net als vriendinnetje Belle met haar ondermaatse werkelijkheidsbeleving. ‘Ik onderbreek Belle in haar betoog over dat verdriet altijd op schaal begint, daar uitbouwt. Zij kent het leven zoals toeristen een dorp kennen: zij weten niet de donkere steegjes te vinden, het pad dat verboden is voor onbevoegden.’ [blz. 228/229] Voor een waarachtiger beeld komt het erop aan ook de angstig gemeden plekken in te gaan die er nou eenmaal zijn. Leidt Rijneveld ons daar naartoe? De Booker Prize jury, en waarschijnlijk veel lezers, menen van wel. Vader en moeder lijden zeker wel aan de dood van zoon Matthies, zo erg dat ze zich eraan uitleveren. Het slokt hen op, ze raken de greep op zichzelf kwijt, zodat ze de kracht verliezen om zich zorgen te maken om de kinderen en te zien dat ze in hun verdriet begeleid moeten worden.

Obbe verdringt zijn verdriet juist uit alle macht. De verwarring van het gemis aan verdriet leidt bij hem tot agressie. Jas lijkt de enige die dit alles signaleert, die zich bewust is van het verdwalen dat om haar heen plaats vindt en ook van een intuïtie dat het anders moet. ‘We zijn de weg kwijt en er is niemand om het aan te vragen’, constateert Jas. [blz. 82] Toch is in Jas het vermogen tot nabijheid, tot koestering en lijfelijkheid juist nog van nature aanwezig. [Kleine zus] ‘Hanna en ik liggen op onze rug in mijn bed met de armen in elkaar gehaakt, als een krakeling, kruimelig en breekbaar.’ [blz. 107]

Verpieterde

Jas beseft des te beter hoe pijnlijk de sensuele deprivatie is. Zij mist het steeds weer dat ze niet meer door moeder en vader wordt aangeraakt. ‘‘Misschien verdrink ik wel [bij het afzwemmen],’ zeg ik voorzichtig, en peil moeders gezicht in de hoop dat ze schrikt, dat er meer lijntjes in haar huid komen dan wanneer ze huilt om zichzelf, dat ze opstaat en me vasthoudt, me heen en weer wiegt als een pitjeskaas in het pekelbad.’ [blz. 98]

De verwijdering van elkaar heeft een nog ingrijpender repercussie, namelijk verwijdering van zichzelf. Jas ziet dat die iedereen om zich heen treft. De gezinsleden lukt het niet meer om voldoende zelfbeleid te voeren, zo dat ze het verdriet kunnen doseren, dat ze het kunnen integreren en zo vrij blijven om voor elkaar beschikbaar te zijn. De omgeving helpt daar ook bepaald niet bij. Belangstelling voor de eigen binnenwereld is niet gebruikelijk. Het is een gemeden plek. ‘Niemand in het dorp stond lang stil bij zichzelf, het kon dan zomaar gebeuren dat de oogst verpieterde, en wij kenden alleen de oogst van het land, niet die van onszelf.’ [blz. 37]

Tranen

Maar ook bij zichzelf ervaart ze steeds grotere moeite om de zaken een plek te geven, haar plek. Het lijden van het meisje wordt in de diepte veroorzaakt door de angst voor desintegratie als gevolg van het tekort aan aandacht. ‘Zo ben ik erachter gekomen dat je op twee manieren het geloof kwijt kunt raken: sommige mensen verliezen God als ze zichzelf vinden, sommige mensen verliezen God als ze zichzelf verliezen. Ik denk dat ik bij de laatste groep ga horen.’ [blz. 71]

Het is haar gevecht om uit alle macht vasthouden aan haar liefde voor haar broers en zus en moeder en vader. Er is, naast boosheid en verzet, ook grote betrokkenheid en zorg bij de ik-figuur om haar familie. ‘Volgens vader kunnen kinderen geen zorgen hebben, omdat die pas komen als je je eigen akkers moet rooien, al ontdek ik de zorgen wel steeds vaker bij mezelf en houden ze me in de nacht wakker, lijken ze te groeien. Nu moeder magerder wordt en haar jurken ruimer, ben ik bang dat zij spoedig zal sterven en dat vader dan met haar meegaat. Ik volg hen de hele dag zodat ze niet zomaar dood kunnen gaan en verdwijnen. Ik bewaar ze altijd in mijn ooghoeken, net als de tranen om Matthies.’ [blz. 52’/53]

Utopische dimensie

Anders dan de andere gezinsleden signaleert Jas het onvermogen tot nabijheid bij de anderen. Ze lijdt niet alleen onder het eigen gemis, ze lijdt ook om de anderen. Haar vermogen tot liefhebben onttrekt zich aan de tijdgeest: het vigerende mensbeeld – en niet alleen van beginnende pubers – wordt gedomineerd door verzet. Naar het mededogen waartoe Jas ondanks alles in staat is, is het ver zoeken.

Ook dit is een meer dat De avond is ongemak biedt. De schrijver geeft het ons terug: mensen zijn wel in staat tot mededogen, zorg. Zij zijn niet onverschillig, niet alleen boos. We lijden aan het gebrek aan koestering. Groot vermogen tot liefhebben komt voort uit groot vermogen tot lijden. En andersom: wie niet lijdt, kan niet liefhebben – ook dit wordt gethematiseerd. Een kostbaar meer tenslotte is het levend houden van een verlangen, een utopische dimensie, hier uitgedrukt in ‘de overkant’, zoals ze zich het gehoopte vervolg van haar leven voorstelt. En hier ook letterlijk de overkant van het water, waar de grote stad is met al haar mogelijkheden. ‘Ik grijp mijn natuurboek […] steviger vast. Ik ben vergeten een ezelsoor te vouwen in de pagina waar ik gebleven ben. Was er maar iemand die dat bij mij doet, zodat ik weet wat mijn plek is en van waaruit ik mijn verhaal verder moet leven. En of dat hier is of aan de overkant: het beloofde land.’ [blz. 214]

De zorg en de liefde

De inspiratie is het gevecht dat Jas aangaat om ondanks alles zelf intact te blijven – om te lijden aan het gemis van Matthies, aan het afbrokkelen van het onderling contact, om zich wel zorgen te blijven maken om de huisgenoten, om de achteruitgang van hen wel te blijven opmerken, om zich over hen te ontfermen, om het geloof te bewaren dat het goed komt. Het is het gevecht om ondanks alles mens te blijven.

De verrijking kan niet alleen een verdienste zijn van de schrijver. Om tot aanvaarding te komen, moet ook de lezer zelf aan kwaliteiten voldoen, namelijk om in staat te zijn en bereid de inspiratie die het boek biedt te beleven. Om geïnspireerd te raken, is er eerst het ongemak van het lezen: de vragen die het gedrag van de gezinsleden oproepen tot nadenken. Afweer of bitterheid in de lezer zou het onmogelijk maken zich ervoor open te stellen – om niet de gruwelijkheden meteen te veroordelen, maar de moeite te doen er de betekenis van te vinden. De openingszin van het boek is: ‘Ik was tien jaar en deed mijn jas niet meer uit.’ [blz. 9] Dit is letterlijk zo, in bed, aan tafel en in de klas blijft de jas aan. Daarom wordt het meisje Jas genoemd. Het is haar reactie op het overlijden van de broer. Het is aan de lezer zich af te vragen: Waarom is het dat Jas haa jas niet meer uitdoet? Wat ontleent ze eraan? Dankzij deze openheid kan de lezer tot de erkenning komen dat er onvermogen bestaat, angst, verlatenheid, en de noodzaak om de zorg en de liefde die er ook vanbinnen zijn te beschermen.

Literaire middelen

Het eigenlijke verhaal wordt niet gevormd door het gebeuren op de boerderij, maar door een vloed van associaties van Jas. Elke aanzet tot de beschrijving van een gebeuren wordt na een enkele zin al gekaapt door wat het in het hoofd van het meisje teweeg brengt. De veearts komt de badkamer in om te zeggen dat de broer is verdronken. ‘‘Jullie broer is dood.’ Ik keek van hem weg naar de handdoeken die stijf van de vrieskou aan het haakje naast de wasbak hingen, ik wilde dat de veearts opstond en dat hij zou zeggen dat alles een vergissing was.’ [blz. 24] Dit denken wordt geïntensiveerd door de verwarring in het gezin na de dood van de broer. Jas is voortdurend bezig greep te houden op zichzelf en op de situatie. Ze heeft het in zich om zich als mens levend te willen houden – anders dan de anderen. De ouders laten zich ongeremd meevoeren op hun verdriet, ten koste van hun verantwoordelijkheid voor de kinderen. Hun zelfmedelijden maakt ze onverschillig naar buiten toe. Broer Obbe sluit zich af voor zijn verdriet en laat toe dat deze frustratie zich uit in agressie.

Hoewel ze er begrip voor heeft, wil Jas het zo niet. Zij wil als geheel intact blijven, met haar verdriet, met haar teleurstelling, kwaadheid, angst, mededogen en tederheid. Zoals wanneer de overleden broer ligt opgebaard in de huiskamer. Matthies’ lijk in de kist wordt gekoeld door een machientje: ‘Ik zou het liefst het machientje uit willen zetten zodat hij in mijn armen zou ontdooien en ik hem naar boven kon tillen zodat we er een nachtje over konden slapen […], ik zou hem dan vragen of dit wel de juiste manier was om ons te verlaten.’ [blz. 36]

Koeienstallen

Met het wilde denken voedt ze haar eigen belevingswereld tegenover de bedreiging van buiten. Het is een overlevingstactiek, waaruit trouwens de geboorte van de schrijver al prachtig wordt voorzien. ‘Ik knik en denk aan de juffrouw die heeft gezegd dat ik met mijn inlevingsvermogen en tomeloze fantasie ver zou kunnen komen, maar dat ik er op den duur ook woorden aan moet geven, omdat alles en iedereen anders in je blijft zitten. En ik op een dag […] me naar binnen frommel waardoor ik alleen nog het donker zal zien, de eeuwige donkerte.’ [blz. 153]

Het ademloze associëren van het meisje dient om waarachtigheid te vinden, waar niemand haar die meer biedt. Om in haar eentje vast te houden aan waarachtigheid als leidraad. Daarvoor is ze bereid elke onwaarachtigheid op te merken en scherp te zijn op die van zichzelf.

Als moeder ineens laat weten dat ze dood wil, omdat ze een slechte moeder zou zijn, probeert Jas te troosten. ‘U bent de beste moeder,’ zei ik en hoorde aan mijn stem dat ik loog – hij was net zo leeg en hol als de koeienstallen. Er zat geen leven meer in.’ [blz. 228]

Zappen

Het overvloedige associëren gaat consequent door. De lezer wordt vastgehouden in het hoofd van het meisje. Net zo’n ijzeren eenheid is die van plaats: de bijna uitsluitende beperking van handeling tot het ‘kleine’ leven op de boerderij. Deze beperking is zeer dwingend. De lezer wordt het hele boek door op de boerderij gehouden, er is geen ontsnappen aan. Je wordt er claustrofobisch van. Maar het moet: de uitsluitende plaats van handeling is ook wat het leven van het gezin bepaalt. Voor de ik-figuur is dat destructief: net als de lezer benauwt het haar, ze wil haar vleugels uitslaan, opstijgen, ‘naar de overkant’. Maar er is geen ontsnappen aan, ze blijft vast in de greep van het gezin. Zo draagt deze hardhandige beperking van de speelruimte veel bij aan de inhoud. Het vermogen van de lezer om zich open te blijven stellen wordt beproefd. De meedogenloze eenheid van plaats, de consequente opsluiting in de boerderij en in het hoofd van het meisje is een geseling. Net als het meisje wil je lucht, weg van die boerderij, dat nest van verdriet en benauwenis. Maar je mag niet. Binnenblijven zegt de schrijver. Het doorstaan van deze geseling, is nodig om hetzelfde lijden aan het isolement van Jas te kunnen beleven. Het is een ongemak waartoe we bereid moeten zijn. Onze jas moet uit. ‘Misschien, heel misschien, durf ik dan zelfs mijn jas uit te doen. Al zal het even ongemakkelijk zijn, maar volgens de dominee is ongemak goed, in ongemak zijn we echt.’ [blz. 135]

Rijneveld nam zich bij het schrijven van de roman voor: wees meedogenloos. Dit geldt zeker ook voor de vorm. De strikte beperking van het verhaal tot het leven op de boerderij is in feite een krachtig tegenwicht voor de verstoorde tijdgeest: die van vluchtigheid, van doorscrollen, van alles en niets, van overal en nergens. De schrijver staat zich (en ook de lezer) nergens dit zappen door de wereld toe: binnen blijven! (Voor een nog geen dertigjarige schrijver die is zelf opgegroeid in deze tijdgeest, is dit een prestatie.) Deze strikte beperking kan nog op een andere manier inspireren: als een nieuwe ode aan de eenvoud. Als we eens alle afleiding van media, chillen, festivals en wereldreizen weerstaan en het leven weer terugbrengen tot de essentie: zie eens hoe omvattend het kan zijn.

Engagement

Bijdrage aan de overtuigingskracht is de preciesheid van het formuleren. Die is nodig om in het waarnemen de betekenis te kunnen vinden die het voor het kind persoonlijk heeft. Elk cliché is weerstaan. Er is geen enkele loze formulering, geen gelegenheid voor een te groot ego, geen ijdele tentoonspreiding van wellezendheid. Elke zin komt voort uit het geduld voor inspiratie, wat overtuigt van de noodzaak het te zeggen en het zo te zeggen. Er is distantie in de beschrijving van de gruwelen. Een zekere afstand is nodig om te overleven, en juist om de liefde die onverminderd blijft, te beschermen. Distantie, lijden en liefde gaan samen. Dit is uitdrukking van grote kracht. Het is de distantie die literatuur, of kunst in het algemeen, mogelijk maakt. Het tilt het particuliere beleven naar een universeel niveau. Het voegt aan de zwaarte een zekere lichtheid toe, zonder dat het vervlakking is, geen onverschilligheid en geen verdringing.

Tenslotte heeft de schrijver ook gewoon weet van het creëren van suspense: al in het begin is er een notitie van een touw aan een balk op zolder met een lus eraan. Na de derde vermelding en het binnensluipen van het lijden in het gezin gaat de lezer wel denken: wie zal daaraan komen te hangen. Ook het verval, het losraken van elkaar, wordt beetje bij beetje geïntensiveerd. Als vader uiteindelijk aankondigt dat hij ‘morgen’ haar jas uit zal doen, weet je dat de crisis een hoogtepunt bereikt. De suspense versterkt het engagement van de lezer.

Kan De avond is ongemak de lezer ertoe brengen de verdieping te aanvaarden?

Blijft de vraag wat de verklaring is van de brede omarming van De wereld is ongemak. Op het eerste gezicht speelt het zich af in een niche van de samenleving, een spot in de biblebelt waar maar weinig mensen nog een band mee hebben. Waarom dan toch die herkenning? Is dat niet omdat de thema’s van het boek – het opdrogende contact, het onvermogen om verdriet te beleven en te delen, om de dood te verwerken – omdat dit alles ons allemaal aangaat? Hebben we ons niet allemaal ‘naar binnen gefrommeld’? In het algemeen is het onderlinge contact tot een minimum gereduceerd, tot formules, terloops, bloedeloos. Het kan niet minder. De verlatenheid is rondom. Verdieping is, paradoxalerwijs, dat De avond is ongemak de dystopie van nu bepaald niet ontkent. Het laat breeduit de desoriëntatie, de pijnlijke deprivatie zien die deze tijd tot een slechte tijd om te zijn maken. Het gezinsleven op de boerderij is daar een voorbeeld van.

De jury van de BP zegt ook niet op zoek te zijn naar een boek dat een alternatief biedt voor de desoriëntatie waaraan we ten prooi zijn, maar naar een mensbeeld dat meer laat zien. Dit onderscheidt doorsnee fictie van de parels in de literatuur: de meeste fictie ‘weergalmt’ de waan van de dag, zonder het sociale disfunctioneren tot in de haarvaten te problematiseren. Dit is wat Rijneveld doet. Terwijl wij in de dagelijksheid niet de moeite doen stil te staan bij het ingrijpende van de ontwrichting waarvan we deel uitmaken, wordt die in het boek in zijn hevigheid getoond, uitgesproken. De gezinsleden lijden eraan. Goede literatuur wrijft de ellende er dieper in: het is nog erger dan we denken. Het is erger voor degenen die zich niet tot machteloosheid laten slaan, maar die eraan vasthouden dat het beter kan. De avond is ongemak laat met het koesteren van liefdevolle zorg ruimschoots zien dat het beter kan. Zo kunnen we ons bewust worden van wat er gaande is, waar ook wij in stilte onder lijden, en wat we daarom eigenlijk ook willen weten. Dit kan dan het verlangen naar contact, naar aanraking, weer wekken. Dit is de bemoediging die bijdraagt aan het aanvaarden. Wat beter kan is met elkaar te delen wat ons bezighoudt of wat we leren. Het boek herinnert ons eraan doordat Jas vasthoudt aan haar behoefte te weten wat er in de anderen omgaat en zelf te vertellen. Delen is wat de mens tot mens maakt. Ook hierin voorziet het boek.

Zachtjes

Wij mogen ons dan niet meer verbazen over de deprivatie rondom, Jas blijft het gemis aan zorg en genegenheid ervaren en benoemen – ons eraan herinneren dat bij wezenlijk contact lijfelijk contact hoort, aanraking. Een ontroerend fragment is: ‘Ik spoel het [vaatdoekje] uit onder de kraan en ga weer naast moeder staan, steeds iets dichterbij in de hoop dat ze me per ongeluk aanraakt als ze de koekenpan naar de uitgestalde borden op het aanrecht brengt. Even maar. Huid tegen huid, honger tegen honger.’ [blz. 66/67]

Waar het boek ons ook aan herinnert, is het belang van aandacht voor onszelf. Het zelfbeleid, de inzet om contact te bewaren met zichzelf en zo een waarachtiger zelf te worden, is een belangrijk thema. ‘‘Het is goed, zei de juffrouw toen, om te dromen over plekken waar je ooit naartoe zou willen. […]’ ‘Ooit wil ik naar mezelf toe,’ zeg ik zachtjes.’ [blz. 93]

Overkant

We snakken allemaal naar meer waarachtigheid, in de omgang met anderen en met onszelf. Om bijbels te kunnen zeggen: Ik ben die ik ben. (Exodus 3.) ‘Dan zou ik denken aan de Boze Wolf die de zeven geitjes op heeft gegeten en met een schaar open werd gereten zodat ze levend tevoorschijn kwamen – misschien komt er uit mij dan ook een groot meisje gekropen dat vrij is van haar angsten of in ieder geval iemand die gezien zal worden, die al te lang verborgen ligt onder lagen huid en jas.’ [blz. 217]

Deze herinnering aan de waarde van aandacht voor de eigen binnenwereld kunnen we als troost ervaren – als bemoediging om ondanks alles verantwoording te nemen. Deze troost draagt bij aan de betekenis van het boek. Zelfbeheer behoedt Jas ervoor te verbitteren. Ze staat zich niet toe het lijden aan de verwaarlozing af te reageren op de ouders of op broer en zus. Projecteren is wat wij allemaal doen zolang we onze frustraties niet in onszelf aangaan. De afwezigheid van projectie is een krachtige impuls: doe het niet. Toch gaat haar instelling op zuiverheid haar ook in de weg zitten. Het wordt steeds moeilijker beschikbaar te willen blijven voor haar naasten, en tegelijk zelf tot bloei te willen komen. Steeds meer ervaart ze dat ze zou moeten breken met de dystopie om haar heen om haar eigen groei veilig te stellen. Naar de overkant!

Vloed

Niet iedere lezer komt tot aanvaarding. Er zijn er ook die afhaken. Die niet opgewassen zijn tegen de geseling van de claustrofobische eenheid van plaats, de boerderij. Die het onophoudelijke associëren niet een plaats kunnen blijven geven. Die niet zien dat de gruwelijkheden geen sadisme zijn om het sadisme, maar een zin hebben. Na het verdrinken van de hamster in een glas water door Obbe vraagt Jas zich (bijbels) af of het een offer was om Matthies terug te krijgen. Nadat het kleine konijn bezweek onder het grote konijn, weten zowel Jas als Obbe ‘dat we dit moeten herhalen totdat we de dood van Matthies begrijpen, al weten we niet hoe.’ [blz. 123] Maar de vele lezers die de verborgen betekenissen kunnen inzien en de beproeving doorstaan, waarderen dat dit verhaal geen willekeur is, geen overal en nergens, geen nerveuze veelvertellerij. Deze lezers ervaren dat dit de dingen zijn die ertoe doen. Jas doet wat ze kan om in de verwarring de liefde te bewaren, om erin te blijven geloven, in de waarde van de strijd om het goede. Misschien is dit het nieuwe schrijven waar we behoefte aan hebben: kunst die recht doet aan de beleving van verdriet en liefde en desoriëntatie en verlangen en autonomie naast elkaar. Dit is de rijkdom aan leven die we in het dood tij van ons dystopische heden zijn kwijtgeraakt en die een nieuwe vloed op gang kan brengen. Rijneveld zet ons aan.