Wonen in gedichten (19)

Door Judit Gera
Categorie: liefde
Moeilijkheidsgraad: gevorderden

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: een gedicht van Leonard Nolens.

Schuldige liefde


Zijn wij nog steeds die minnaars van de ergste soort,
Ik die mijn leven met het jouwe heb verward
En jij die meer en meer gelijkt op wat ik doe
En hier verloren bent gelopen in mijn woord?

Ik ben schuldig omdat jij je niet herkent
In jou, het beeld dat ik van jou gesneden heb.
Ik ben schuldig want bedrogen heb ik jou
Met jou – en toch was dit bedoeld als een geschenk.

Ik heb je veel te dicht tegen mij aan gehouden.
Ik heb je altijd veel te diep in mij bewaard.
Als ik je hier laat zien wie je geworden bent
Schrik jij nog steeds van mijn gezicht in jouw gedicht.

Uit: Manieren van leven. Gedichten 1975–2011, 2012.

Leonard Nolens (1947) wordt als een van de belangrijkste hedendaagse dichters uit het Nederlandse taalgebied beschouwd. Hij is ook vertaler en dagboekschrijver. Aanvankelijk schreef hij experimentele gedichten, maar later is zijn stijl steeds soberder geworden. Hij maakt graag gebruik van de parlandostijl. Parlando is een Italiaanse muziekterm die naar een bepaalde voordrachtstechniek verwijst: een lied wordt meer gesproken dan gezongen. Ritme en metrum worden bij de manier van voordragen aangepast.

In de romantiek stonden poëzie en muziek dicht bij elkaar. Een sterk gedicht, zo vond men, is een lyrisch gedicht en klinkt als muziek. Liefdesgedichten waren (en zijn) vaak sterk lyrisch. Net als dit gedicht. Men vindt geen regelmatig rijmschema. In de eerste en tweede strofe rijmen de laatste woorden van de eerste en de vierde regel. Er zijn anaforische herhalingen in strofe twee en drie – ‘Ik ben schuldig’ – en een binnenrijm in de laatste regel van de derde strofe: gezicht – gedicht. Het gedicht heeft een grotendeels jambisch metrum met hier en daar antimetrieën, zoals bijvoorbeeld aan het begin van de tweede strofe.

            De eerste strofe bestaat uit één grote retorische vraag. Deze vraag betreft de aard van de liefde tussen het lyrische ik en het jij. De tijdsbepaling ‘nog steeds’ in de eerste regel impliceert dat aan het begin alle minnaars ‘van de ergste soort’ zijn. Dan gaat het vooral om de hartstochtelijke liefde die de partners als het ware blind maakt. De liefde aan het begin veroorzaakt een samensmelten van de minnaars, een zich in elkaar verliezen. De identiteit van de geliefden wordt verdoezeld: ze gaan in elkaar op. De vraag is retorisch omdat het een bevestigend antwoord impliceert: ja, zulke minnaars zijn we nog steeds. Het ‘ik’ verwart zijn leven nog steeds met ‘het jouwe’, ‘jij […] gelijkt meer en meer ‘op wat ik doe/En hier verloren bent gelopen in mijn woord’. Terwijl de eerste regel een ‘wij’ heeft, begint de tweede met ‘ik’ en gaat de derde over het ‘jij’. De talige macht van het ‘ik’ over ‘jij’ wordt steeds duidelijker. ‘Ik’ handelt, ‘jij’ ondergaat het handelen. Het ‘ik’ is de scheppende instantie; ‘jij’ is object dat aan het verdwijnen is ten gevolge van de schepping (‘mijn woord’) van ‘ik’.

            In de tweede strofe blijft ‘ik’ aan het woord en bekent tweemaal schuld. Het beeld dat ‘ik’ van ‘jij’ heeft gemaakt is een verraad aan wie of wat ‘jij’ is. Hoewel bedoeld als geschenk, is het veeleer een bedrog.

            De derde strofe is een vervolg van de opsomming van de schulden van het ‘ik’. Die schulden hebben te maken met een te kleine afstand tussen ‘ik’ en ‘jij’. Het ‘ik’ steekt de hand in eigen boezem: ‘Ik heb je veel te dicht tegen mij aan gehouden’. Als iemand de ander veel te dicht tegen zich aan houdt, wordt het zicht op de ander vertekend. Bepaalde trekken worden vergroot, andere weer verkleind. Maar bij het omhelzen houd je de ander noodgedwongen veel te dicht tegen je aan – het kan niet anders. De eerste regel spreekt van de lichamelijke nabijheid, de tweede benadrukt de geestelijke: ‘Ik heb je altijd veel te diep in mij bewaard.’  Het gevolg van de geliefde te dicht tegen zich aan te houden en de ander te diep bewaren, leest men in de laatste twee regels: ‘Als ik je hier laat zien wie je geworden bent/Schrik jij nog steeds van mijn gezicht in jouw gedicht.’ ‘Hier ’wil zeggen ‘hier in dit gedicht’ of ‘hier in mijn kunstwerk’, mijn poiesis; met andere worden, de geliefde zal schrikken van hoe het ‘ik’ haar ziet. Het is een allesbehalve realistische weergave van de geliefde persoon. Het ‘nog steeds’ uit de eerste strofe komt in de laatste terug. De herhaling dient als antwoord op de vraag geformuleerd in de eerste strofe: ja, we zijn nog steeds ‘die minnaars van de ergste soort’. De lange jaren hebben aan de intensiteit van de liefde van ‘ik’ niets veranderd.

‘Jij’ schrikt ‘nog steeds van mijn gezicht in jouw gedicht’ is dubbelzinnig. Er is een letterlijke betekenis: de ‘ik’ houdt zijn gezicht dicht bij dat van de geliefde: het wordt als het ware in haar gezicht gedicht. Maar er zit in deze betekenis ook een andere: het gedicht als kunstwerk. De geliefde moet aan de hand van het gedicht – dat voor haar is geschreven als geschenk – het ware gezicht van ‘ik’ herkennen en die herkenning is om van te schrikken. Het taalspel impliceert dat niet alleen daden maar ook taaldaden afschrikwekkend kunnen zijn. Is het omdat de geliefde zich het egoïsme van de liefde moet realiseren? Of veroorzaakt een te hechte relatie ook angst voor het verlies van de eigen identiteit? Betekent de laatste regel dat ‘jij’ in deze intense liefde moet verdwijnen?

            Het gedicht gaat over het beeld dat de ene geliefde (‘ik) van de andere (‘jij’) maakt. In hoeverre is dit beeld een spiegelbeeld? Met andere woorden: in hoeverre is dit een authentiek beeld van de ander? Spiegeleffecten komen in de vorm van het gedicht veelvuldig voor. Zoals in de veelvoudige herhaling van ‘ik’ en ‘jij’. In regel drie van de eerste strofe staat de bepaling ‘meer en meer’, ook een vorm van spiegeling. In de assonantie ‘verloren’ en ‘gelopen’ worden de klinkers in elkaar weerspiegeld. ‘Jou’ wordt in regel twee van strofe twee herhaald. ‘Ik ben schuldig’ in strofe twee wordt anaforisch – het staat aan het begin van regel een en regel drie – herhaald. In strofe drie wordt ‘Ik heb je’ in de eerste en tweede regel eveneens anaforisch herhaald. ‘Gezicht’ en ‘gedicht’ sluiten deze reeks mooi af, door het rijm en omdat ze maar in één letter van elkaar verschillen. Verder is ‘gezicht’ dubbelzinnig in betekenis, het is zowel het gelaat van de ander als dat wat iemand om zich heen ziet. Gedicht is handeling van verdichten en ook het vers als iets dat gemaakt wordt. Deze werkwoordelijke substantieven geven mooi het verschil aan tussen actieve handeling (beeldvormen oftewel dichten) en het resultaat (‘het gesneden beeld’ oftewel het gedicht) van de handeling. ‘Gesneden beeld’ is trouwens een citaat uit de tien geboden: ‘Gij zult u geen gesneden beeld maken.’ God als de Ander mag niet afgebeeld, vastgelegd (= gesneden beeld) worden en geen enkele ‘ander’ mag vastgelegd (en vervolgens ‘vereerd’) worden. Dat is een diepzinnige notie, waarmee in dit gedicht gespeeld wordt. Zodra je van iemand een ‘beeld’ maakt, beroof je hem van zijn identiteit en doe je hem geen recht.

            Is er dus werkelijk sprake van een authentiek spiegelbeeld van de ander? Geenszins. Het ‘ik’ heeft overmacht over het ‘jij’. Het beeld is een maaksel van ‘ik’. De één is in de positie van degene die handelt, de ander is passief. Maar dat is juist de problematiek die in dit gedicht centraal staat. Hoe kunnen wij over onze geliefde spreken zonder die tekort te doen en zonder van hem/haar een gesneden beeld te maken?

Afbeelding van Ben Kerckx via Pixabay