Wie schreef de Cours de linguistique générale van Saussure?

Door Marc van Oostendorp

Ferdinand de Saussure (1857-1913) is vooral beroemd vanwege een boek dat hij zelf niet schreef. Zonder zijn Cours de linguistique générale (1916) zou zijn naam inmiddels waarschijnlijk vrijwel verdwenen zijn – terwijl die nu in ieder geval nog in ieder geval in iedere inleiding in de taalwetenschap figureert.

Maar dat boek verscheen postuum en hoewel het werd gepresenteerd als een werk dat gebaseerd was op college-aantekeningen van studenten, bleken de belangrijkste samenstellers, Charles Bally en Albert Sechehaye, nooit echt de desbetreffende colleges te hebben bijgewoond en door het materiaal van Saussure op een bepaalde manier te organiseren en er af en toe iets aan toe te voegen hun eigen programma door te drukken.

Begin of eind

Ferdinand de Saussure was zelf vooral een tobber. Hij had een briljante masterscriptie geschreven en een fraai proefschrift, beiden op het gebied van de Indo-Europese taalwetenschap, en daarop was hij hoogleraar geworden in zijn geboortestad Genève. Hoe knap dat eerdere werk ook was geweest, hij was er niet tevreden mee. Hij had op een bewonderenswaardig knappe wijze puzzels opgelost, maar was hij daarmee dichter gekomen bij de vraag wat taal nu eigenlijk ís, hoe je het moet begrijpen? Tot zijn dood bleef hij college geven en enorm veel schrijven, maar hij publiceerde niet meer.

In zijn nalatenschap zijn manuscripten en aanzetten gevonden voor boeken over fonetiek, het Nibelungenlied en mogelijke anagrammen in Latijnse lyriek. en inderdaad ook een inleiding in de ‘algemene taalwetenschap’, die niet individuele talen zou bestuderen, maar het verschijnsel taal. Geen van die manuscripten lijkt ook maar bij benadering een publicabele vorm te hebben. Er was om te beginnen al geen duidelijk begin of eind.

Betreurde meester

Bally en Sechehaye wilden, zo blijkt uit het boek Saussure’s Linguistics, Structuralism and Phenomenology van de Amerikaanse wijsgeer Beata Stawarska, het manuscript van Saussures boek gebruiken om hun eigen ideeën over de nieuwe ‘taalwetenschap’ vorm te geven. Die waren weliswaar zeer sterk door de ‘echte’ Saussure beïnvloed, maar ze probeerden uit het voortdurend tasten in de geschriften van de ‘meester’ een duidelijke lijn te trekken.

Waar Saussure bijvoorbeeld een aantal zaken naast elkaar zette – bekend geworden paren als ‘synchroon’ tegenover ‘diachroon’ en ‘langue’ (taalsysteem) tegenover ‘parole’ (individueel taalgebruik) – maakten Bally en Sechehaye daarin steeds duidelijke keuzes: de échte taalwetenschap ging over het een óf over het ander. De beroemd geworden laatste zin van de Cours, “de taalkunde heeft als enige en werkelijke onderwerp het taalsysteen beschouwd op zich zelf en om zichzelf”, die onder andere suggereert dat bijvoorbeeld de sociaal-culturele context er niet toe doet, is niet alleen door de redacteurs toegevoegd aan de tekst, maar door hen later ook in besprekingen van de cours instemmend geciteerd als waren het woorden van de betreurde meester zelf.

Zonder kop of staart

Op die manier werd de Cours inderdaad hét begin van de moderne taalwetenschap, een inspiratiebron voor zo’n beetje alle taalwetenschap van dit moment. Het raadsel van hoe je zoiets veelkantigs en vluchtigs als taal op een wetenschappelijke manier kon bestuderen, leek gekraakt. Het structuralisme, dat in de jaren dertig tot en met vijftig een hoge vlucht nam in de taalwetenschap en in de jaren zestig in tal van andere geestes- en cultuurwetenschappen, werd toegeschreven aan de cours (hoewel het woord in dat boek zelf niet voorkomt). Je kon het je in de jaren zestig, volgens Stawarska, als intellectueel in Parijs niet permitteren om dat boek niet in huis te hebben.

Het betekende ook dat veel kritiek op de Cours uit de poststructuralistische en fenomenologische hoek, helemaal niet rechtstreeks terugslaat op het werk van Saussure. Waar Derrida bijvoorbeeld die Cours verwijt een voorbeeld te zijn van een westerse afkeer van het schrift, kun je dat helemaal niet per se over Saussure zeggen. Zoals je het feit dat het werk een Groot Boek werd met een Groot Auteur ook nauwelijks aan Saussure, de eeuwige maker van notities zonder kop of staart, kunt verwijten.

Reflectie

Saussure was kortom bijna eindeloos veel genuanceerder dan zijn boek. Daarbij rijst dan wel de vraag of er ooit een taalwetenschap had kunnen bestaan als iedereen zo was blijven rondtasten als de Zwitserse geleerde. Ja, taal is een systeem, maar ook veranderlijk. Ja, taal is een eigenschap van een individueel mens, maar ook iets sociaals. Alleen kom je zo nauwelijks ooit tot een methode.

Aan de andere kant zitten we nu, ruim honderd jaar na het verschijnen van de Cours misschien wel helemaal aan de andere kant van de lijn, waar je weleens de indruk krijgt dat de arbitaire keuzes (taal is dit en niet dat) die men heeft gemaakt nauwelijks ter discussie staan. Ieder van de mogelijkheden die Saussure overwoog is wel door een bepaalde groep geadopteerd, maar voor de aarzeling, voor het maken van eindeloze aantekeningen zonder kop of staart, is nu helemaal geen ruimte meer. Alles is methodologie geworden, voor reflectie op de uitgangspunten is nauwelijks nog ruimte. Misschien is het vooruitgang, maar er is ook iets verloren gegaan – dat laat Stawarska duidelijk zien.

Beata Stawarska. Saussure’s Linguistics, Structuralism and Phenomenology. The Course in General Linguistics after a Century. Palgrave MacMillan, 2020. Bestelinformatie bij de uitgever.