‘Veracht niemand om zijnen godsdienst’ (1840)

Jeugdverhalen over joden (118)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Georgius ‘(George’) Jacobus d’Ancona (1803-1850)

’k Zag een’ Jood met oude klêeren
Schreeuwend loopen langs de straat,
En twee nette jonge heeren,
Riepen: Smous! – wat werd hij kwaad.

En was het wel zonder reden?
Foei, dat men een’ armen man
Tegen Godsdienst, tegen zeden
Toch zoo vuig bespotten kan.

Laat men Jood of Christen wezen,
Enkel die verdraagzaam zijn
Toonen dat zij Gode vreezen;
Hem niet dienen slechts in schijn.

Niemand zal ik ooit verachten,
Om de leer die hij belijdt,
Allen, die de deugd betrachten,
Zijn mijne achting toegewijd.

Advertentie van d’Ancona in het Algemeen Handelsblad van 22 juli 1846.

Herkomst en drukgeschiedenis

George d’Ancona was de oudste zoon van een joodse huisarts en een gereformeerde vroedvrouw. Na een tijd als (hoofd)onderwijzer in Nederland en België te hebben gewerkt, begon hij in 1840 in Amsterdam een advertentiebureau. Vanaf 1841 combineerde hij dat met een boekwinkel. Daarin verkocht hij onder meer prentenboeken, bordspellen, speelkaarten en kantoorartikelen.

         Vanaf 1838 was d’Ancona bovendien actief als publicist. Tot zijn dood in 1850 (hij werd slechts 47 jaar) publiceerde hij tientallen ‘boertige’ en ‘luimige’ gedichten, (bruilofts)liederen, toneelstukjes en pamfletten. Hij maakte die ook op bestelling, voor particulier gebruik. Voor de jeugd schreef hij onder meer almanakken, ‘zedenkundige’ toneelstukken, verhalen en gedichten – onder meer over Sinterklaas.

         Het gedicht ‘Veracht niemand om zijnen godsdienst’, waarin een joodse kledinghandelaar wordt uitgescholden voor ‘smous’, staat in Gedichtjes voor de Nederlandsche jeugd, in navolging van den heer H. van Alphen. Deze uitgave verscheen in 1840 bij H. Moolenijzer in Amsterdam. Een herziene druk, waarin dit gedicht overigens ongewijzigd is opgenomen, verscheen omstreeks 1843 bij G.B. van Goor onder de titel Gedichtjes voor de lieve jeugd.

         De Moolenijzer-uitgave vermeldt d’Ancona wel op de titelpagina als auteur, de Van Goor-uitgave niet. In de inleiding bij die laatstgenoemde uitgave schrijft hij: ‘Zonder om te zien naar de kunstkrachten van anderen, heb ik gehoor gegeven aan den innerlijken drang van mijn hart om voor de lieve kleinen eenige dichtstukjes neder te schrijven, die, onder Gods zegen, bevorderlijk kunnen zijn om de zaden der deugd in hen te ontwikkelen en hen van menige verkeerde gewoonte of kwaad aanwensel eenen afkeer in te boezemen. Mogt ik mijn oogmerk slechts eenigermate hebben bereikt, ik zou de oogenblikken aan de zamenstelling dezer kindergedichtjes besteed, gewis onder de gelukkigste mijns levens tellen.’

         Gedichtjes voor de lieve jeugd beleefde tot 1844 zeker vier drukken.

‘Mousje lief’

George d’Ancona voerde vaker joodse personages op. Zo komen in zijn ‘boertige dichtstuk’ Amsterdamsch standje (1840) twee joodse straathandelaren voor: een naamloze klerenhandelaar en Leip, die augurken en eieren verkoopt. Zij spreken joods dialect, dat door d’Ancona fonetisch wordt weergegeven: hik in plaats van ik, khijk in plaats van kijk, enzovoorts. Ook gebruiken ze uitroepen die toenmalige lezers als typisch joods zullen hebben herkend: begotje (‘bij god’), nah (‘nou’), oway (‘o wee’) en sjolem (‘goedendag’).

         Zuurhandelaar Leip wordt een mousje genoemd (een eufemistische vorm van smous, een scheldwoord) en opvallend goedhartig toegesproken: ‘Daar zijn je centen, mousje lief,/ Nu kunt gij op gaan rijen.’

         Het tijdschrift Vaderlandsche Letteroefeningen velde in 1846 een vernietigend oordeel over Een Amsterdamsch standje. De recensent was er niet in geslaagd het uit te lezen, maar oordeelde desalniettemin: ‘De lezing van een paar bladzijden van deze zoogenaamde boertige gedichten is een waar vomitief [braakmiddel] voor elk, die nog eenigen smaak en gevoel voor het welvoegelijke bezit. Foei, Mijnheer d’Ancona!’ Desondanks beleefde dit dichtwerk tot 1850 tenminste vier drukken.

Doelgroep en receptie

Gedichtjes voor de Nederlandsche jeugd, in navolging van den heer H. van Alphen werd in september 1841 in een krantenadvertentie door uitgeverij H. Moolenijzer aanbevolen als ‘kermisgeschenkje’ – niet te verwarren met kerstgeschenkje. Kennelijk achtte men het opportuun om de Amsterdamse jeugd ten tijde van de kermis tot goed gedrag aan te sporen.

         Van deze bundel heb ik geen besprekingen gevonden.