Top 40 van de Gouden Eeuw – 23

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Nerea schoonste van uw geburen

Een opgewekte melodie, geschikt voor teksten met een zekere verontwaardiging of trots, die je met opgeheven hoofd zingt. Dit geldt zowel voor de religieuze tekst van onze melodiebron, die Johannes Stalpaert van der Wiele erop schreef, als onze tekst ‘Een nieuw liedeken ghetranslateert uyt den Originale Spaensche gedichte’. Voor dit lied kozen wij de gedrukte versie uit 1598, omdat in de tekst uit het handschrift van de dichter zelf, de rederijker Laurens Jacobsz Reael (1536-1601), de rolverdeling niet duidelijk is. Het lied is een beurtzang uit 1597-98 tussen ‘L’Infante’, Isabella van Spanje (1566-1633), landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden, en ‘De Soon’, haar halfbroer Koning Filips III van Spanje (1578-1621). Isabella klaagt haar halfbroer aan. Niet hij, maar zij zou vorst van Spanje moeten zijn. Heeft hun vader Filips II niet zijn vrouw Elisabeth van Valois (Isabella’s moeder) vermoord omdat zij zwanger was van een jongetje? Hij heeft dus nooit een zoon gewild. En Filips III is bovendien voortgekomen uit bloedschande: zijn moeder, Anna van Oostenrijk, was een nichtje van zijn vader. Zo ontstaat er een woordenwisseling, waarbij Isabella zich voor laat staan op haar hogere afkomst en zich gesteund weet door de adel, terwijl Filips III steun vindt bij de kerk en de traditie van troonopvolging in mannelijke lijn.

Een nieuw liedeken ghetranslateert uyt den Originale Spaensche gedichte. Op de wyse van Ce fut a la premiere bataille.

3. Als Coninck ben ick hoogh geseten
In spaensche rijck door Pauselijck recht,
Om dat myn vader met vermeten
Sijn susters dochter, nam ter echt.

L’Infante.
4. Hola Jonghman, ghy pocht te seere
Hola Jongman, ten is noch geen tijt.
U Rijck is Jongh ende daer toe teere,
Fortuyn kan draeyen seer subyt.

5. Want echt en recht ben ick gebooren
Van franschen bloet in hooger staet.
Mijn vader liet myn moer versmooren
Om dat sy droegh een manlijck saet.

6. Uyt bloetschande syt ghy gecomen,
Geen echte soon en mooght ghy syn.
Daerom u t’rijck sal syn genomen
En t’sal gegeven werden myn.

Den Soon.
7. Jonck vrou, ghy spreeckt seer hooge reden,
Joncvrou, u saeck staet niet so schoon.
Noyt besat vrou de croon in vreden,
Maer wel die man, des Conincks soon.

L’Infante.
8. Mijn hoge reden sal ick doen blycken
Als Prince, vorst en Edelman
Van uwer syde gaen af strycken,
My als princesse volgen dan.

De Soon.
9. Ons alderheylichste God op aerden
Die Paus van Roomen heeft verhenght,
Daerom dit huwelijc blyft van waerden,
Geen bloet schand is daer me vermenght.

L’Infante.
10. Al gingh die Paus hier dispenceeren,
Al stelde hy hem boven God,
Ghy hoerekint sult myn niet weeren,
In spaensche rijck hebt ghy geen loth.

De Soon.
11. U trots en spijt van dit bloet schande
Kan ick van u verdragen niet.
Tsa maeckt u op, ghy moet uyten landen
Eer myn van u meer leyts geschiet.

L’Infante.
12. Des Paus Segel en groote bullen
En wil ick achten niet een haer.
Nu, Nu na Weenen moet ghy sullen
Een Smal Eedelman blyven daer.

De Soon.
13. Dat sal ick anders wel bestueren,
D’ Inquisiti staet myn by,
Bisschoppen, Cnuncken, telcken uyren
Muncken, en papen, syn voor my.

L’Infante.
14. Daer tegen sal ick weder setten
Den gantsche adel met haer macht,
Die d’Inquisity plach te verpletten
Een goet schout die syn boet verwacht.

De Soon.
15. Jonck vrou ghy moet wat Cardinalen,
Jonck vrou ghy moet nae Vlaenderlant.
Tis beter dat ghy daer gaet dralen
Dan dat myn rijck raeckt inden brant.

L’Infante.
16. Als ick dan doch sal moeten reysen
Door groot gewelt mijn aengedaen,
Help God wil myn doch leeren veysen
Dat sy myn doent niet en verstaen.

De Soon.
17. Jonck vrou ghy ruyckt nae ketterye,
Luthrianen maeckent u al vroet
Om u te stellen myn perthije;
’T eynd draeght die last vant begin soet.

L’Infante.
18. Geen Luthrianen my en quellen,
Geen ketters porren my aen ’thooft.
Gods wet doet my int rijcke stellen
Dat d’Inquisiti my berooft.

De Soon.
19. Naet rijck, Princes, en wilt niet poogen,
U gelt is cleyn, ghy hebt geen macht.
In Vranckrijck vindt ghy u bedroogen
Daer hout myn gelt altijt de wacht.

L’Infante.
20. Die Prins, die Heere der heyrscharen,
Mijn recht bewaart en my bevrijt
Voor u bloet dorst, ende sal spaeren
Sijn volck, verlossen tsijner tijt.

FINIS.   [Laurens Jacobsz Reael]

’s Conincks soonDon Carlos, zoon van Filips II
mijn vaderFilips II
met vermetenstoutmoedig
myn moerElisabeth van Valois
verhenghthet toegestaan
lotherfdeel
spijt vanminachting over
Nu na Weenen moet ghy sullenGa terug naar je moeder
smalonbeduidend
bestuerenbepalen
Cnunckenkanunniken
Een goet schout die syn boet verwacht.De infante zegt op te treden als schout en de boete van de bloedschande te innen, namelijk dat zij koning wordt. Dus: ik krijg wat me toekomt.
Cardinalenje onderwerpen aan het gezag van de Kerk (de kardinaal is na de Paus de hoogste functie in de Rooms-Katholieke Kerk)
veysenzodanig gedragen
myn doent niet en verstaenmijn handelen niet misverstaan
vroetwijs
u te stellen myn perthijein opstand te komen tegen mij
rijckeheerschappij
gelthier: aanzien
Die PrinsDe allerhoogste, d.i. God (begin Princestrofe)

Tekst uit: [Laurens Jacobszoon Reael], Het beclach der Spaenscher naty, waer inne te kennen ghegeven wert aen wiens handen het coninckryck van Hispangien behoort te comen : mitsgaders die schandelycke en onerhoorde bloedt-schande, twelck de Paus van Romen heeft toeghelaten, teghen Gods wetten ende wtghedruckte bevelen, volghens hoe sy voor haer nemen dese Nederlanden onder een eeuwighe slavernye ende servituyt te brenghen, weerdigh om lesen : hier achter is noch een liedt toeghedaen, alwaer een gespreck ghehouden wert tusschen L. Infante, ende den soon ghetrouwelijck wt den Spaenschen originalen ghedichte ghetranslateert. [Amsterdam: Willem Jansz van Campen, 1598], fol. A3v-A4v. https://books.google.nl/books/about/Het_beclach_der_Spaenscher_naty_waer_inn.html?id=521JAAAAcAAJ&redir_esc=y (pp.6-8).
Melodie uit: J.B. Stalpaert van der Wiele, Gulde-Jaer Ons Heeren Jesu Christi. Deel 1 Op alle de zonnendagen des Jaers (‘s Hertogenbosch: Janszoon Scheffer 1628), p. 116  http://objects.library.uu.nl/reader/index.php?obj=1874-34175 (pdf p.142).