Goeiemorgen, hoi!

Taalbeschouwing voor de basisschool (1: groep 4)

Door Marc van Oostendorp

We lopen elke ochtend naar school.

Papa en ik. 

Als we naar buiten komen, staat de buurvrouw in de tuin. 

“Hoi”, zeg ik. 

“Goeiemorgen, buurvrouw” zegt mijn vader. 

“Morgen”, zegt de buurvrouw.

We lopen verder. 

Als we bijna de hoek omgaan, zien we een vriend van papa.

“Hé, Jeroen!” roept papa vrolijk.

“Hoi”, zeg ik.

“Ha!”, roept Jeroen.

“Waarom zeg je tegen iedereen wat anders?” vraag ik aan papa. 

Hij snapt niet wat ik zeg.

“Waarom zeg je niet goeiemorgen tegen Jeroen. Net als tegen de buurvrouw?”

“Jeroen is mijn vriend”, zegt papa. 

“Tegen een vriend praat je anders dan tegen de buurvrouw. 

Tegen de koning zeg je geen ‘hé’, maar tegen je beste vriendin wel.

Door de manier waarop je iemand groet, laat je horen hoe goed je hem kent.

Ook laat je horen hoe je je voelt.

Hoi! is vrolijker, maar goedemorgen is beleefder.”

We komen aan bij de school. 

“Goedemorgen, juf Lilian”, zegt papa.

“Goedemorgen”, zeg ik.

De juf lacht. 

“Hoi!”, roept ze.