‘Al te kort’ (1869)

Jeugdverhalen over joden (114)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Pieter Jacob Andriessen (1815-1877)
Oorspronkelijk Nederlands

Portret van P.J. Andriessen door Johannes Walter (1839-1895). Bron: Rijksmuseum.

Herkomst en drukgeschiedenis

‘Al te kort’ is een verhaal in de bundel Nieskruid van P.J. Andriessen. Andriessen was hoofdonderwijzer in Amsterdam en schreef veel oorspronkelijke historische verhalen, vooral voor jongeren van twaalf tot zestien jaar. Daarnaast vertaalde hij Duitse, Franse en Engelse jeugdboeken.

         ‘Van zelf spreekt’, aldus het Algemeen Handelsblad in 1877 in zijn necrologie, ‘dat hetgeen hij geleverd heeft niet altijd even voortreffelijk was, maar in den regel kon men de werkjes van dezen schrijver onbeziens aan de kinderen geven en altijd kon men er zeker van zijn, dat hetgeen hij geschreven had door hen met graagte werd gelezen. (…) Zijn verlies zal door duizenden zeer worden betreurd.’

         Andriessens oud-leerlingen brachten geld bijeen voor een grafmonument met de tekst: ‘Den vriend der Nederlandsche Jeugd. Zijne dankbare leerlingen.’

         Nieskruid verscheen in 1869 bij uitgeverij Jan Leendertz in Amsterdam en beleefde één druk.

‘Heden ziet het licht.’ Advertentie uit de Opregte Haarlemsche Courant van 20 september 1869.

Samenvatting

Leonard Duinveld is de zoon van een dominee. Zijn moeder is gestorven. Zijn vader voedt hem zeer streng op, hij houdt de jongen ‘al te kort’ – de titel van dit verhaal.

         Leonard gaat theologie studeren in Utrecht, maar kan het vrije studentenleven niet aan. Hij ‘studeerde meer in de flesch dan in de boeken, maakte meer schulden dan progressen en verkeerde met jonge lieden, wier zedelijkheid op geen hoogen trap stond’.

         Na een half jaar schrijft zijn vader hem dat hij op de hoogte is van Leonards losbandige leven en dat hij hem komt halen. Leonard raakt zo in paniek dat hij overweegt om zich te verdrinken. Hij staat al met zijn handen om de brugleuning als hij wordt tegengehouden door zijn jeugdvriend Frits, een rechtenstudent die veel liberaler is opgevoed.

         Aan Frits biecht Leonard op dat hij duizend gulden schuld heeft bij de jood Levi Mozes Salomons. Leonard noemt de woekeraar ‘den grootsten afzetter, die toen ter tijde in Utrecht woonde’. De jonge rechtenstudent besluit om Levi ‘een les te geven, die hem lang zal heugen’.

         Als Levi – door de meid ‘smous’ genoemd – geld komt innen bij Leonard, wordt hij ontvangen door Frits, die vertelt dat zijn vriend Leonard zelfmoord heeft gepleegd.

         Levi: ‘Ghod bewaar me, mhijnheer, wat doet UE me schrikken. ’t Is om iemand de khoude khoorts op ’t lijf te jhagen. Ghod dhoe je gezhond blijven. Maar de herfgenamen zullen me de dhijzend gilden bethalen.’

         Levi rekent voor dat hij Leonard 680 gulden heeft geleend, tegen acht procent rente per jaar, terug te betalen in vier jaar [zo staat het er, maar deze berekening klopt uiteraard niet]. ‘Ach, mijnheer, als Levi ’t niet uit pure menschlievendheid dee (…) dan zou hij zijn gheldje liever zelf houden.’ Ook bij eerdere terugbetaling moet er duizend gulden worden betaald, want zo staat het zwart op wit. ‘De heeren sthudenten zouden Levi graag bij den nheus nemen. En Levi laat zich niet bedriegen.’

         Om te voorkomen dat hij kan worden bedrogen, heeft Levi navraag gedaan naar Leonards achtergrond. ‘Ik heb overal mijn corresphondenten en wheet zeer ghoed, hoe zwaar dominé Duinveld weegt’ – lees: hoeveel de predikant bezit.

         Frits houdt de jood echter voor dat Leonards vader hem nooit zoveel rente zal willen betalen; dat het tot een rechtszaak zal komen en dat Levi celstraf riskeert. Na er een nacht over te hebben geslapen, neemt Levi genoegen met terugbetaling zonder rente. Leonard is opgetogen: ‘Ik heb dien schelm eens ferm op zijn nummer gezet.’

         Als Leonards vader – de strenge dominee – de volgende dag de studentenkamer van zijn losbandige zoon betreedt, wordt hij ontvangen door de vader van Frits. Na een lang gesprek besluit de dominee zijn zoon een tweede kans te geven. Die benut Leonard ten volle en hij wordt een gelukkig, godvruchtig mens.

Doelgroep en receptie

Doel van dit boek, aldus Andriessen in een kort voorbericht, was om een betere opvoeding voor kinderen te bewerkstelligen, een opvoeding die beter aansloot bij de veranderde tijdgeest. Eind 1871 werd Nieskruid, waarvan ik geen besprekingen heb gevonden, genoemd in een advertentie voor Sinterklaascadeaus.