Zijn neus, gelijk de regenboog, Is bont en krom en zelden droog

Door Marc van Oostendorp

Ah, de negentiende eeuw: tijd waarin we bij wijze van kinderfeestje nog onbekommerd konden lachen om joodjes met kromme neuzen. Want dat was toen onze cultuur – een cultuur van duizenden jaren. Toen men nog niet zo politiek correct was om zich wat aan te trekken van de medelanders die huiliehuilie deden omdat ze geen gevoel voor humor hadden!

De historicus en journalist Ewoud Sanders is sinds een aantal jaar met een interessant project bezig: de talloze populaire boeken en boekjes op te diepen uit het Nederlandse verleden waarin Joden een rol spelen. Door al die teksten systematisch te beschrijven en vergelijken krijg je een idee van hoe het beeld van dé buitenstaander bij uitstek in de Nederlandse cultuur zich ontwikkelde.

Hij schreef eerder een proefschrift over het zogeheten bekeringsverhalen en heeft op Neerlandistiek een langlopende serie over ‘jeugdverhalen over Joden‘. Deze week verschijnt van hem een nieuw boek, Lachen om Levie, over een klein subgenre in deze populaire literatuur, die van humoristisch bedoelde, in een (namaak-)Joods Nederlands geschreven, verhalen van een Joodse soldaat Levie Zadok in de Krim-oorlog.

Saillant is dat het eerste Zadok-verhaal geschreven is door Jan Schenkman, die óók de eerste auteur was die Sinterklaas een zwarte knecht gaf. Schenkman was een zeer succesvol broodschrijver, die het idee voor zowel de grappige ‘jiddisje’ stijl als voor het verhaal bij elkaar had gejat, maar er zulk groot succes mee boekte dat het genre nog tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw bleef voortbestaan.

Volgens Sanders waren Schenkmans verhalen nog niet eens per se kwaadaardig antisemitisch. Schenkmans humor kun je ook vaak zien als goedmoedige spot op de buitenstaander zien. De cliché-beelden van de Jood als lafaard of als handige jongen worden niet gespaard, maar het is niet duidelijk dat iemand daar in de vroege negentiende eeuw per se kwaad mee in de zin had. Schenkman nam het af en toe – ook in ander werk – soms zelfs op voor zijn Joodse landgenoten en ook in deze verhalen beschrijft hij het geweld en het minachtend taalgebruik waarmee zij geconfronteerd werden.

Wat die aanspreekvormen betreft: al in Schenkmans eerste brief krijgt Levie te horen ‘smous hou je bek of ik schop je eruit’. In latere brieven lezen we onder meer ‘smous, leelijke hond’, ‘vervloekte smous’ en ‘smerige smous’. In het leger spreekt Levies ‘beste frind’ hem simpelweg aan met smous, zonder iets ervoor. In totaal komt dit scheldwoord voor ‘jood’ dertien maal voor in de brieven.

Toch leest het allemaal behoorlijk ongemakkelijk en verwerd Levie Zadok in de pen van anderen al snel tot een naar antisemitisch cliché-beeld:

Zijn neus, gelijk de regenboog,
Is bont en krom en zelden droog,
En als zijn mondjen opengaat,
Is ’t of een schuurdeur openslaat.

Zijn oogjes schittren als kristal,
Zij druipen van vergif en gal,
Zij gluipen rond en kijken scheel,
Als duiveltjes in rood fluweel.

Een rosse knevel dekt de lip,
Een dito baard den kinnetip,
Twee ooren, van een mal fatsoen,
Staan of ze een luchtreis willen doen.

Mooi is hij niet, maar bij de hand,
Niets gaat er boven zijn verstand!

Sanders beschrijft allerlei interessante details rondom dit vrijwel vergeten detail in de Nederlandse populaire cultuur: van het dialect dat geparodieerd werd tot de bijtende strijd in uitgeversland (Schenkman gaf zijn verhalen ergens anders uit dan bij zijn gebruikelijke uitgever; vermoedelijk als wraak begon die soortgelijke verhalen uit te geven die door iemand anders geschreven waren).

Dat Schenkman de eerste auteur was van deze verhalen én van een Zwarte Piet-verhaal is natuurlijk heel interessant. De onschuldige humor die beide in de negentiende eeuw waren zijn we voor de tweede figuur nog tot heel recent blijven zien, terwijl alle grappen om Levie gaandeweg onverteerbaar werden.

De Jood en de zwarte waren in die vroege negentiende eeuw vergelijkbare figuren: buitenstaanders die, zoals Sanders zegt, allebei ook werden gebruikt als kinderschrik (‘als je niet lief bent, neemt Zwarte Piet / het joodje je mee’). Door die parallellen te zien, wordt eens te meer duidelijk hoe snel we van Zwarte Piet af moeten, maar omgekeerd ook hoe hardnekkig vooral beelden zijn in kinderverhalen en hoe het inmiddels helaas helemaal niet denkbeeldig is dat Levie Zadok weer eens opduikt.

Ewoud Sanders. Lachen om Levie. Komisch bedoeld antisemitisme (1830-1930). Walburg Pers, 2020. Bestelinformatie bij de uitgever.