Van Groot-Brittannië tot Amerikaans president Donald Tusk: Wat kunnen we leren uit een jaar “Taalfout opgemerkt”?

Door Michaël Claessens, Ruud Hendrickx en Eline Zenner

“Te veel taalfouten opgemerkt.” Met die titel kondigde VRT-ombudsman Tim Pauwels in januari 2019 de knop “Taalfout opgemerkt?” aan. Bijna een jaar en meer dan 20.000 meldingen later was de tijd rijp voor een evaluatie van de knop. Een analyse van duizend meldingen leerde ons wat de melders te zeggen hebben en hoe ze dat doen.

De Vlaming ergert zich aan taalfouten, en al zeker als ze in nieuwsartikels staan. De VRT krijgt dan ook veel klachten binnen over fouten in artikels. Die klachten bereikten de omroep aanvankelijk via de ombudsman, de klantendienst of via nieuws@vrt.be. Sinds januari 2019 gebeurt dat via één kanaal, dankzij de knop “Taalfout opgemerkt?”. Die knop, te vinden onder alle artikels van vrtnws.be en sporza.be, zorgt voor een vlotter meld- en correctieproces.

Bijna een jaar na introductie van de knop was de tijd rijp om te onderzoeken hoe nieuwsconsumenten de knop “Taalfout opgemerkt?” precies gebruiken. Dat gebeurde in een samenwerking tussen de drie auteurs van deze bijdrage: VRT taaladviseur Ruud Hendrickx, masterstudent Journalistiek Michaël Claessens (KU Leuven) en docent Nederlandse taalbeheersing Eline Zenner (KU Leuven). De taaladviseur stelde alle meldingen die binnenliepen tussen januari en november 2019, ter beschikking aan Michaël. Die ging samen met promotor Zenner binnen het kader van zijn masterproef met het materiaal aan de slag, waarbij hij een willekeurige steekproef van 1000 voorbeelden trok uit de impressionante databank van 22,500 meldingen. Twee vragen stonden voorop in de analyse van de steekproef: welke fouten komen binnen, en hoe melden taalgebruikers die fouten?

Spel- en tikfouten op de eerste plaats

In een eerste stap beoogde dit onderzoek een inventaris van het soort fouten dat in de steekproef aan bod komt. Wat blijkt: de helft van de 1046 fouten die in de 1000 meldingen benoemd worden, betreffen een spel- of tikfout. Op de tweede plaats staan de zogenoemde constructiefouten. Dat zijn zinnen waarin te weinig of te veel woorden staan, waardoor de zinsconstructie geen steek meer houdt: “2 schepen botsen elkaar…?”. Ook grammaticale fouten duiken vaak op, met de beruchte dt-fout als grootste uitschieter.

Het is verleidelijk om uit deze cijfers af te leiden dat journalisten vooral tikfouten maken. Die conclusie kunnen we echter niet hard maken met dit materiaal. De databank met meldingen heeft immers de tekortkoming dat de nieuwsteksten waar een melding voor binnenliep, niet meer in hun oorspronkelijke versie beschikbaar zijn. Er is ook geen paper trail van correcties op die oorspronkelijke tekst. Het is dus niet duidelijk welke fouten in de allereerste gepubliceerde artikels aanwezig waren. Bijgevolg is het niet mogelijk om uit onze databank af te leiden welke taalfouten journalisten het vaakst maken, noch welke van die fouten het vaakst worden opgemerkt door de VRT-nieuwsconsument.

Wel zien we dat gebruikers van de knop “Taalfout opgemerkt?” in zo wat tien procent van de gevallen überhaupt geen taalfouten melden, maar eerder niet-taalgerelateerde, inhoudelijke opmerkingen doorsturen. Volgende melder was bijvoorbeeld duidelijk niet opgezet met de inhoud van het artikel dat hij las: “Ze hadden moeten benadrukken hoe absurd het is om miljarden belastinggeld te gebruiken om de auto-aankoop van de middenklasse te subsidiëren. EEN VOORDEEL IS NOG GEEN SUBSIDIE HE TRUT. FAKE NEWS.”

“Het is droevig gesteld met de taalkwaliteit van de VRT NWS-artikelen hè?”

Het voorbeeld hierboven toont meteen ook hoe lezers soms wel wat frustratie lijken te willen ventileren in hun melding. Het tweede deel van dit onderzoek gaat net daar dieper op in. Om te bestuderen op welke manier lezers fouten melden, tapte deze studie uit drie wetenschappelijke vaatjes. Via de theorie van de genre-analyse werd bepaald welke retorische stappen zoal aan bod komen in de meldingen. De politeness theory van onderzoekers Brown en Levinson hielp bekijken of melders in hun melding liever irritatie en ongenoegen laten blijken (zogeheten face-threatening acts) of eerder de foutenmaker wat verlegenheid proberen te besparen door net wat zachter uit de hoek te komen (face-saving acts). De typische set taalkundige markeerders van face-threatening en face-saving uit beleefdheidsonderzoek vulden we aan op basis van onderzoek naar computergestuurde communicatie en via een piloottest op het materiaal zelf.

Onze analyse van het materiaal toont dat een taalfoutmelding vier stappen kan bevatten.

  1. Een eerste stap is de foutmelding zelf. In die foutmelding geven lezers tot vijf stukken informatie:
    • het originele fragment: “een ieuwe economische opportuniteit
    • de exacte locatie van de fout: “Laatste paragraaf, eerste zin: er staan ‘an’ in plaats van ‘en’”
    • de naam van de fout: “dt-fout: Dewinter niet vervolgT”
    • toelichting of argumentatie: “’Onderzoekster’ als het een vrouw betreft!!!”
    • een correctie: “atelkens te pieken —> telkens te pieken”
  2. Een tweede mogelijke ingrediënt van de taalfoutmelding betreft het toevoegen van (on)beleefdheidsstrategieën. Sommige melders geven hun irritatie tegenover de fout weer via versterkende bijwoorden, uitroeptekens, modale werkwoorden of (vermoedelijke) ironie. Zo schrijft een melder: “dat ze zich het voorbije jaar misbehandelt voelde: ernstige dt-fout!”. Andere nieuwsconsumenten proberen net wat voorzichtigheid in te bouwen via vraagtekens, passieve constructies, verzachtende bijwoorden of emoticons, zoals in volgende melding: “Intro/inleiding: … 13 miljoen ‘maar’ dan … (En dat moet dus waarschijnlijk ‘meer’ zijn ;-)”
  3. Een derde mogelijke stap in de foutmelding is de metacommentaar. In zo’n metacommentaar geeft de nieuwsconsument een opmerking over de werking van het platform zelf, zoals in volgend voorbeeld: “Met die extra begeleiding hopen we dat zoveel mogelijk kandidaat slagen noot melding taalfouten: veel in te vullen bij melding en zeker de url zou automatisch moeten.”
  4. Een laatste mogelijke zet is de toevoeging van een aanhef en/of een groet aan het bericht: “barste … moet barstte zijn. Vriendelijke groeten, X”

Een pragmatische houding

Welke van de vier mogelijke zetten precies optreden in een melding varieert sterk van melding tot melding. Een prototypische melding is er niet. Wel zien we dat de nieuwsconsument de originele fout in vrijwel alle meldingen (91%) opneemt, zij het opvallend genoeg niet in allemaal. De andere retorische stappen zien we opvallend minder vaak verschijnen. Een verbetering voor de fout vinden we in iets meer dan de helft van de berichten (58%), en in slechts een op drie van de gevallen wordt een fout benoemd, een verbetering voorgesteld of beargumenteerd waarom iets niet correct bevonden werd. In 18% van de gevallen zien we de plaats van de fout expliciet aangestipt. Een aanhef en/of groet (1%) of een metacommentaar (1%) komen slechts sporadisch voor. In een op acht meldingen vinden we versterkende taalelementen (face-threatening acts), terwijl in bijna een op zeven van de meldingen verzachtende elementen (face-saving acts) opduiken.

Hoewel de (on)beleefdheidstrategieën geen prototypische kenmerken blijken van de melding, verdienen ze toch wat meer aandacht. Het blijkt bijvoorbeeld dat sommige van de types fouten uit Tabel 1 meer uiting van frustratie en irritatie uitlokken dan andere. Meldingen over inhoudelijke fouten en foute woordkeuzes zijn het vaakst vergezeld door versterkende taalelementen: “Donald Tusk president van de VS????Trump zullen jullie wel bedoelen. Waar solliciteer ik om de artikels mee te redigeren? Ja wadde!” De lezers hanteren daarbij het liefste uitroeptekens of meerdere vraagtekens na elkaar, een fenomeen dat in onderzoek naar computergestuurde communicatie bekend staat als flooding.

Tegen de verwachtingen in blijken de dt-fouten als enfant terrible van de congruentiefouten betrekkelijk weinig face-threatening acts uit te lokken, met name in 18% van de meldingen die een dt-fout aankaarten.

Ook meer verzachtende taalelementen vinden we het vaakst bij inhoudelijke fouten. Melders lijken geneigd een voorzichtigheid in te bouwen om de autoriteit en de kennis van de journalisten niet in twijfel te trekken: “…de laatste film van Quentin Tarantino, “Once upon a time in America”. Moet dat niet:”Once upon a time in Hollywood” zijn?”

Tot slot valt op dat hoogfrequente gebruikers van de knop minder inzetten op (on)beleefdheid. Concreet zien we dat de vijf topgebruikers van de knop vrijwel nooit versterkende of verzachtende taalelementen hanteren, en de melding net droog en zakelijk houden. Wel opvallend is dat deze hoge gebruikers een eigen systeem lijken ontwikkeld te hebben om zo gestructureerd (en dus snel) mogelijk taalfouten te kunnen melden.

Samengevat

De gebruiker van de knop “Taalfout opgemerkt” meldt vooral tik- en spelfouten, maar we mogen niet concluderen dat journalisten vooral tikfouten maken door de tekortkomingen van de databank. Daarbij zet de gebruiker in op een zakelijke melding van het oorspronkelijke foute fragment. Welke informatie daarbij nog extra opduikt, varieert sterk van melding tot melding en van gebruiker tot gebruiker. Het blanco veld waar lezers met hun meldingen terecht kunnen, zorgt voor een grote diversiteit aan meldingsinhoud en -methodes. Dat merken ook de gebruikers zelf op. In onze steekproef van 1000 meldingen vonden we er acht die de gebruiksvriendelijkheid van de knop te beklagen hadden. Een aangepast, gestroomlijnd invulformulier kan eventueel soelaas bieden. Zo kunnen tik- en spelfouten nog sneller rechtgezet worden, tot vreugd van menig taalfoutmeldingsknopgebruiker!

Michaël Claessens, Ruud Hendrickx en Eline Zenner

Referenties

  • Brown, P., & Levinson, S.C. (1978). Politeness: Some universals in language usage. Cambridge, England: Cambridge University Press.
  • De Decker, B. (2014). De chattaal van Vlaamse tieners: een taalgeografische analyse van Vlaamse (sub)standaardiseringsprocessen tegen de achtergrond van de internationale chatcultuur. (doctoraalscriptie Universiteit Antwerpen).
  • Hyland, K. (2000). Hedges, Boosters and lexical invisibility: noticing modifiers in academic texts. Language Awareness, 9(4): 179-197
  • Lakoff, G. (1973). Hedges: A Study in Meaning Criteria and the Logic of Fuzzy Concepts. Journal of Philosophical Logic, 2(4), 458-508.
  • Van Hoof, S., & Jaspers, J. (2012). Hyperstandaardisering. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 128(1), 97–125.
  • Zarza, S. (2018). Hedging and Boosting the Rhetorical Structure of English Newspaper Editorials. UKH Journal of Social Sciences, 2(1), 41–51.

Foto: Pxhere via CC0