Op glanzend bruine schoenen verder: Hans Robert Jauß gevolgd

Door Peter J.I. Flaton

Aan het slot van zijn schets van Hans Robert Jauß als SS-officier in neerlandistiek.nl (24-10-2020) houdt Jos Joosten m.i. terecht staande, dat Jauß’ ‘epochemachende’ essay Literaturgeschichte als Provokation der Literaturwissenschaft blijft wat het sinds 1967 is: een emancipatoir en democratisch manifest dat de literatuurstudie een impuls heeft gegeven door haar nieuwe wegen te wijzen na en naast de intussen ingeburgerde ‘close reading’-benadering.
De erfenis daarvan heeft Jauß geïntegreerd in zijn receptie-esthetica, al was het maar dat ‘het’ ook voor hem begint met lezen wat er staat: eerst het ‘artefact’ (om het met de Praagse structuralist Mukarovsky te zeggen), vervolgens en pas dan het ‘esthetische object’ dat het in de receptie wordt. Nog weer anders verwoord: ook Jauß is allereerst de filoloog: zijn tweede dissertatie Untersuchungen zur mittelalterlichen Tierdichting is er een sprekend voorbeeld van.

In zijn Der Fall Jauß. Wege des Verstehens in eine Zukunft der Philologie (Berlin, 2016) is Ottmar Ette dan wel op zoek gegaan naar sporen van Jauß’ SS-verleden in zijn wetenschappelijke stijl, wat hij eruit heeft opgediept als ‘militärischer Metaphorik’ overtuigt niet echt. Als de terminologie al wat militant mocht zijn, dan lijkt dat toch eigen aan elke theorie die zich als nieuw presenteert: de ‘Fürhungsanspruch des eigenen Ansatzes’ voor zich op te eisen. Dat wijst niet per se op een SS-idioom.
Claude Haas, aan wiens recensie ik dit gegeven ontleen, concludeert dan ook in zijn “Verstörungen. Neue publikationen zum Fall Hans Robert Jauß” (zflprojekte.de): ‘Das Verstörende am Wissenschaftler Jauß besteht nicht darin, dass seine Texte elementar vom NS infiziert wären. Das Verstörende besteht darin, dass sie das nicht (cursivering van mij, P.F.) sind’.

Jauß begon pas in de jaren ’50 te publiceren, had met het oog daarop intussen heel wat ook niet-Duitse teksten gelezen (met name Franse) en wist wat er van hem die mee wilde gaan draaien in het academische circuit verwacht werd: zich van een specifiek wetenschappelijk stijl te bedienen, zowel wat de syntaxis als wat de woordkeus betreft. En zo schreef hij zich letterlijk in in de Duitse wetenschappelijke traditie: in althans dit opzicht ‘tabula rasa’. Wat ik ermee zeggen wil, is dat Jauß zichzelf in dit opzicht niets hoefde af te leren.

Zijn hiermee Jauß’ publicaties, en met name diens (…) Provokation (…) voor zichzelf gered, de vraag is, of dat ook geldt voor de persoon van de hoogleraar zoals we hem als een van de grote vernieuwers van het onderzoek en het onderwijs aan de universiteit van Konstanz zien opereren (voor zover we daarop uiteraard enig zicht kunnen krijgen).

Mijn stelling is, dat de SS de literatuurwetenschap met zijn persoon wel degelijk is ‘binnengemarcheerd’.
Daarom bij wijze van aanvulling op Joostens artikel deze bijdrage: om dat aannemelijk te maken.

Jauß is aan vervolging vanwege betrokkenheid bij oorlogsmisdaden ontkomen door zich als ‘Mitläufer’ te afficheren. Dankzij Westemeier weten we, dat hij die niet geweest is, integendeel. En die heeft hij ook niet willen worden in de wetenschappelijke wereld: als SS’er man met ambities heeft hij die ook in zijn wetenschappelijke carrière weten te realiseren. Hetzelfde doel langs een ander pad: die van een voor hem niet eens zo lange weg door de instituten. Waar anderen hun hoofden, uit angst om ontdekking, beneden het maaiveld hielden, heeft Jauß het zijne fier geheven: ‘Hier ben ik’ (over provocatie gesproken).

Zo geeft hij op organisatorisch en institutioneel vlak als medestichter van de ‘Konstanzer Schule’ (samen met o.a. Wofgang Iser) en als spil van de ‘Poetik und Hermeneutik’-researchgroep de toon aan. Dat kan welbeschouwd alleen maar dankzij kwaliteiten die hij als SS’er heeft weten te ontwikkelen. Daarvoor althans houdt zijn promovendus Hans Ulrich Gumbrecht het in het Zeit-artikel “Mein Lehrer, der Mann von der SS”, nr. 15, 07-04-2011, p. 62).

Z.i. slaagde zijn ‘Doktorvater’ erin onder de collegae proximi en de studenten een stevige ‘esprit de corps’ te ontwikkelen en wist hij twaalf van zijn naaste medewerkers op hoogleraarsposten elders benoemd te krijgen (men vraagt zich hier in gemoede af, of en zo ja in welke mate contacten met SS-kameraden daarbij een rol speelden).
Hoe dit ook zij, hij was een geverseerd netwerker en ook dat zou een SS-erfstuk kunnen zijn: een goede officier weet altijd de juiste telefoon te vinden.

Een uiterst betrouwbare getuige (juist omdat zij Jauß met hart en ziel is toegedaan) is hier Hannelore Schlaffer in haar hagiografische “Hans Robert Jauß. Kleine Apologie”, in Merkur nr. 805, juni 2016, 79-86. Daarin wijst ze op zijn militante wijze van formuleren in colleges en tijdens symposia waarin het steevast gaat om ‘Kampf und Sieg’. Verder herinnert ze zich zijn ijzeren discipline en zijn ‘Mannschafts-Gläubigkeit’. De kern daarvan is, dat ‘Führer’ en ‘Geführte’ een zo hechte relatie ontwikkelen, dat de ondergeschikte ook letterlijk voor hem door het vuur gaat. Het ‘Führer’-principe eist immers volstrekte toewijding.
Gelezen het getuigenis van Schlaffer organiseerde en leidde Jauß zijn vakgroep m.m. als een SS-eenheid en dus strikt hiërarchisch. Dat vele van zijn oud-leerlingen hem nog altijd en dus ondanks Westemeier steunen, vindt ook hierin wellicht een verklaring.
Zo bezien is Jauß gebleven wie hij was en slaagde hij erin de weg van zijn carrière bijna ongehinderd te vervolgen, niet gelaarsd maar in het bij een hoogleraar passende schoeisel. Nogmaals: discontinuïteit wat zijn publicaties betreft, voortgang naar attitude en gedrag.
In dit opzicht is Jauß een goed voorbeeld van de geleidelijke, om niet te zeggen soepele overgang van het nazi-regime naar de regering van Konrad Adenauer.
En zo werden, aldus Schlaffer, ‘Aus guten Nazideutschen (…) gute Bundesdeutsche’.

Intussen was de oorlog ook hierom paradoxalerwijze altijd en alom aanwezig. Aleida Assmann wijst erop in haar “Krieg in de Knochen. Die zwei Leben des Hans Robert Jauß”, Konzept und Kritik (z-i-g.de), wanneer zij stilstaat bij de samenstelling van de bij de researchgroep ‘Poetik und Hernemeutik’ betrokkenen.

Daartoe behoorden overtuigde nazi’s maar ook verzetsstrijders en joodse vervolgden onder wie Hans Blumenberg en Jacob Taubes die de oorlog weliswaar in de onderduik overleefd hadden maar uiteraard heel goed wisten, hoe het hun familie in de nazi-terreur vergaan was.
Naast ouderen die de oorlog volop hadden meegemaakt (als soldaten in de krijgsmacht of in de SS) waren er die uit de jaren 1926-1928 die veertien waren in 1940 en als leden van de ‘Flakhelfergeneration’ aan het einde van de oorlog in actieve dienst waren (Wolfgang Iser was er een van).
Concreet: alle leden van de ‘Poetik und Hermeneutik’-groep waren hoe dan ook nauw bij de oorlog betrokken geweest en sommige erna als bevrijden, andere als geïnterneerden: ‘So oder so, aldus Assmann, ‘steckte diese Vergangenheit allen in den Knochen’.
Het enige wat erop zat, was wat hen van elkaar (onder)scheidde te neutraliseren door erover te zwijgen via een ‘kommunikatives Beschweigen’.
Jauß zelf heeft ervan gezegd, dat wat zij hadden meegemaakt gedeeld werd maar niet mee-gedeeld.

Dat deze mannen (!) het desondanks met elkaar uithielden, was dat zij door een en hetzelfde gemotiveerd werden, samen te vatten als ‘einen neuen Anfang’.
Hun ging het om een breuk met de universitaire traditie waarvan zij zich hoe dan ook radicaal distantieerden waarbij autoriteiten als Ernst Robert Curtius en Hans-Georg Gadamer als passé werden beschouwd. Vanaf nu staat de autonomie van de tekst centraal en een daarmee verbonden manifeste ‘Disposition zur Vieldeutigkeit’ van de kant van de interpreet.
Interessant daarbij is, dat zij zich verre hielden van de contesterende jaren ’60-studenten. Zij streefden naar een institutionele hervorming (als die van Jauß’ universiteit) en niet naar een sociale omwenteling. Binnen de wetenschap moet de provocatie gezocht worden en niet in het uitdagen van de gevestigde orde.
Dat ze daartoe intussen zelf behoorden, zal een rol gespeeld hebben maar zeker ook hun afkeer van de nazi-indoctrinatie. In een nieuwe politisering van het (universitaire) onderwijs zagen ze niets of in de woorden van Assmann: ‘Die Offenheit der Texte durfte durch keine übergeordnete Lesart mehr eingeschränkt worden’.

In zijn eerste dissertatie (die over Marcel Proust ‘chef d’oeuvre’) komt Jauß tot de conclusie, dat het zich-herinnerde-ik het zich-herinnerende-ik nooit kan inhalen, hoezeer Proust ook zijn best doet die in de schrijfakt als epifanische momenten met elkaar te verbinden. Jauß zelf heeft zijn na-oorlogse leven lang zijn uiterste best gedaan zijn zich-herinnerde-ik van zich af te houden.
Geslaagd is hij daarin m.i. niet. Daarop wijst alleen al de permanente angst waarin hij geleefd moeten hebben: die voor de ontdekking van zijn SS-verleden waardoor er een einde zou komen aan een glanzende carrière waarmee hij al voor en in de oorlog een begin had gemaakt en die hij daarna praktisch rimpelloos heeft weten voort te zetten en te voltooien.

Dat hij zijn frontbrieven tot bijna het einde van zijn leven bewaard heeft en pas in 1995 in zijn tuin heeft verbrand, wijst erop dat hij van dat verleden geen afstand wilde nemen zoals ook blijkt uit de omgang met een Nederlandse onderofficier uit zijn eenheid: blijkbaar een ‘alte Kamerade’ tot het einde toe.
Ondanks zijn angst heeft hij het verleden tegelijk gekoesterd. Ook daarom is hij die SS-er gebleven.

Ik heb zijn provocatie een maskerade genoemd. Mogelijk was dat niet zijn opzet, ze is wel een effect ervan.