Kom niet aan Antoine Braet

Door Marc van Oostendorp

Dat Nederlandse jongeren niet graag lezen, dat ze het lastig vinden om ingewikkelde teksten te doorgronden: het is allemaal de schuld van die vermaledijde Braet die ‘als eerste’ begon over ‘alinea’s en alineaverbanden’ en de term ‘signaalwoorden’ bedacht’, en daarmee uiteindelijk de schoolboeken ‘volledig heeft overgenomen’.

Die uitspraak wordt Wim Daniëls in de mond gelegd in de Volkskrant van gisteren. Maar enig bewijs voor die boude stelling wordt niet gegeven. De aanval is ongefundeerd en onterecht. Als je nu iemand niet kunt verwijten dat het vak zo verschraald is, is het Braet.

Het is altijd fijn om een duidelijk aanwijsbare vijand te hebben, één persoon die het allemaal gedaan heeft, maar het idee dat die brave Antoine Braet op de een of andere manier schuldig is aan de huidige malaise is absurd. Je kunt niet zomaar zo’n felle aanval doen.

Braet schreef een van de interessantste leerboeken Nederlands voor de middelbare school ooit, Taaldaden, een boek waar aan de hand van onder andere literaire essayisten als Kousbroek werd getoond hoe klassieke retorische analyse je inzicht kon geven in de wijze waarop schrijvers een betoog opbouwden. Wij hadden het op school naast Je weet niet wat je weet over taalkunde en Literaire kunst van Lodewick: drie boeken voor één vak, waarmee er drie verschillende werelden voor je opengingen, en die drie werelden hadden alle drie te maken met de taal.

Het was dat drietal dat me tot de studie Nederlands aantrok, en Braets boek speelde daar een belangrijke rol in: het was tegelijk praktisch én theoretisch. Het soort bezwaren dat nu worden geopperd tegen het schoolvak – dat het saai zou zijn, dat het uit trucjes zou bestaan – van niets van dat alles was sprake. Hulde aan de toenmalige sectie Nederlands van het Sint-Janslyceum in Den Bosch! Maar ook hulde aan Braet.

De interviewster Margriet Oostveen doet er nog een schepje bovenop door te stellen dat de taalbeheersers “met hun studieschema’s met kleurtjes” het hele vak Nederlands te gronde hebben gericht. Ik begrijp wel ongeveer waar dat idee vandaan komt – op een bepaald moment werd taalbeheersing dé specialisatie in de neerlandistiek voor wie een baan zocht in het bedrijfsleven – maar met Braet heeft dat allemaal niet heel veel te maken. Bovendien is de charme van de opleiding Nederlands altijd geweest dat het zo verschillende mensen aantrok: mensen met studieschema’s met kleurtjes en mensen met zwart-witfoto’s van dode schrijvers. En allemaal begiftigd met een fascinatie voor taal.

De kracht van het schoolvak Nederlands én van de neerlandistiek is dat je op meer dan één manier naar taal leert kijken. Dat reduceren tot een strijd tussen wij en zij doet dat vak geen recht.

In 1996 pleitte Braet in een ingezonden brief aan de NRC tegen de ‘uitholling’ van het vak en voor “een schoolvak Nederlands dat uit een aan het schooltype aangepaste combinatie van taalvaardigheid, letterkunde en taalkunde bestaat. Een vak dat praktisch nuttig, cultureel verrijkend en intellectueel uitdagend is.” Had men toen maar naar hem geluisterd.

Update 10.00. In een tweet van gisteren blijkt Daniëls afstand te hebben genomen van de uitspraak over Braet:

Bron foto Antoine Braet