‘Ik mis de verrukking van Hella’

Door Marc van Oostendorp

Voetnoten zijn een bedreigd genre. Ze verdragen zich niet goed met digitaal lezen. Steeds minder publicaties doen eraan – ook Neerlandstiek niet. Terwijl er in een goede voetnoot vaak een hele wereld verborgen zit.

Het boek Het masker van Rob Nieuwenhuys van Tom Phijffer is een voetnoot in de vorm van een boek. Het gaat blijkens de ondertitel om ‘de reconstructie van een vergeten reis naar Indonesië’. Het is, denk ik, niet overdreven om te zeggen dat slechts heel weinig mensen op de wereld ernaar verlangden dat uitgerekend die reis – van de letterkundige Rob Nieuwenhuys in 1971, in opdracht van de Nederlandse regering – aan de vergetelheid zou worden ontrukt. Maar Phijffer heeft dat toch maar mooi gedaan.

Wat was er aan de hand? Rob Nieuwenhuys, een van de grootste kenners van de Indisch-Nederlandse letteren die er ooit hebben rondgelopen, werd in 1971 door de Nederlandse regering gevraagd om naar Indonesië te trekken in het kader van het zogeheten Cultureel Akkoord: de culturele banden tussen de twee landen moesten, een paar decennia na de onafhankelijkheid, worden aangehaald. Nieuwenhuys was ook niet de enige die in die tijd in Indonesië verkeerde – hij ontmoette er bijvoorbeeld Willem Frederik Hermans – al is niet duidelijk of al dat gereis uiteindelijk nu veel heeft opgeleverd. In ieder geval was de reis voor Nieuwenhuys ook van emotioneel belang. Het was voor het eerst dat hij zijn geboorteland terugzag sinds hij zich in Nederland zou vestigen – en het zou ook de laatste keer zijn.

Daarmee blijkt die reis een schat aan verhalen en gegevens te bevatten. Phijffer – die eerder een fantastisch artikel schreef over een detail tijdens deze reis, namelijk de ontmoeting met Hermans – weet ook in dit boek de onderste steen boven te halen: ieder krantenberichtje, iedere foto, alles wat ook maar enigszins kan bijdragen aan de reconstructie in die reis van bijna vijftig jaar geleden wordt gevonden. En in die ene reis blijkt zich van alles te verbergen over de Nederlandse en Indonesische literatuur, literatuurwetenschap en samenleving van dat moment.

Amusant is bijvoorbeeld het verslag van de reis die de literatuurprofessor en Multatuli-kenner Garmt Stuiveling parallel aan Nieuwenhuys naar Indonesië maakte, ook al ten behoeve van dat Cultureel Akkoord. Oer- en oerhollands bleef Stuiveling tijdens die reis. Zo werd er voor hem een afspraak gemaakt met de regent van Rangkasbitung, de plaats waar Eduard Douwes Dekker assistent-resident was geweest. “Merkwaardig genoeg toonde Stuiveling tijdens die toch in allerlei opzichten bijzondere tocht weinig belangstelling voor de omgeving en stelde hij nauwelijks vragen”, vertelt een van Phijffers informanten. “Wel praatte hij aan een stuk door over de problemen die hij ondervond met de aan zijn Universiteit van Amsterdam voortdurende democratiseringsbeweging. Hij zat een man die zich aangetast voelde in zijn elitaire hoogheid als professor. Een heel ijdele man.”

Stuiveling stond er bovendien op in de tropen zijn jasje aan en zijn dasje om te houden. De regent liet de professor een kwartier in de hitte wachten en kwam uiteindelijk in hemdsmouwen opdagen. Het gesprek tussen de twee was vervolgens ‘ongemakkelijk en tenenkrommend’, omdat de regent geen Nederlands of Engels sprak, maar vooral omdat de twee niet wisten wat ze tegen elkaar moesten zeggen.

Nieuwenhuys zelf komt naar voren als een hoffelijk maar scherpziende man die de Indonesiërs in het openbaar vertelt dat hij verliefd is op hun land maar in privé-aantekeningen en brieven naar huis vooral bedrukt is over de politieke situatie onder Soeharto. Hij verbaasde zich erover hoe positief Hella Haasse in haar verslagen was geweest:

Ik mis de verrukking van Hella. Ze heeft blijkbaar alleen verrukt willen zijn en is achter haar in Holland gevormde herinnering gaan lopen en heeft willen inhalen wat ze toen gemist heeft. […] Een van de Indonesiërs die ik sprak, een zeer belezen en intelligent man, een oude vriend van Du Perron zei: je kunt elk ogenblik opgepakt worden, ook op verdachtmakingen. In de praktijk valt dit wel mee, maar in theorie is het beslist mogelijk. Ik prevelde zoiets van de rechtspositie tijdens het koloniaal bewind. Hij zei dit is veel erger, voor ons bestaat helemaal geen rechtspositie. Ze zijn afhankelijk van gunsten en willekeur.