Een nieuwe vertaling van Vanden vos Reynaerde

Reynaert de Vos. Vertaling en nawoord René Broens. Amsterdam [Stichting Voetnoot] 2020, 202 p., geïll. € 23,00.

Door Willem Kuiper

Onlangs verscheen er een nieuwe vertaling in hedendaags Nederlands van Vanden vos Reynaerde. Niet zo maar een vertaling, maar een vertaling op rijm. Niet zo maar op rijm, maar een vertaling in los jambische viervoeters:

      Willem die de Madoc schreef,
      Waar hij vaak om wakker bleef,
      Hing het zozeer de keel uit dat
      De Reynaertverhalen die men had
      In het Nederlands onvoltooid bleven,
      Die Arnout niet heeft afgeschreven.

Als u dit ritmisch leest, zoals de dichter-vertaler het bedoeld heeft, dan klinkt dat mijns inziens zo (met de klemtoon op wat vet is):

      Willem die de Madoc schreef,
      Waar hij vaak om wakker bleef,
      Hing het zozeer de keel uit dat
      De Reynaertverhalen die men had
5    In het Nederlands onvoltooid bleven,
      Die Arnout niet heeft afgeschreven.
      Dat hij de vita liet zoeken
      En hij die naar de Franse boeken
      In het Nederlands zó heeft aangeheven:
10  ‘Moge God ons zijn bijstand geven.’

Dat ‘afgeschreven’ interpreteerde ik als een dichterlijke vrijheid, want het origineel leest “vulscreven” (voltooid) en een ander woord daarvoor is ‘afgemaakt’, maar dat rijmt niet op “bleven” en vandaar “afgeschreven”, dacht ik, dat in filologen jargon ‘gekopieerd’ betekent. Maar, zo verzekerde de dichter mij, het Van Dale online woordenboek kent sub 5 aan ‘afschrijven’ de betekenis ‘ten einde schrijven’ toe. Gevalletje: als het kan dan mag het.
De vijfde en negende regel kon ik niet goed scanderen, dus heb ik de dichter gevraagd hoe hij zelf die regels uitspreekt. Dat doet hij zo, en ik geef de andere regels erbij, want zijn bedoeling stemt niet altijd overeen met mijn oplossing:

      Willem die de Madoc schreef,
      Waar hij vaak om wakker bleef,
      Hing het zozeer de keel uit dat
      De Reynaertverhalen die men had
      In het Nederlands onvoltooid bleven,
      Die Arnout niet heeft afgeschreven.
      Dat hij de vita liet zoeken
      En hij die naar de Franse boeken
      In het Nederlands heeft aangeheven:
      ‘Moge God ons zijn bijstand geven.’

Dit is overigens de tweede keer dat René Broens Vanden vos Reynaerde vertaalde. Zijn eerste vertaling verscheen in 2010 en was geschreven in strikt jambische viervoeters. Omdat ik die vertaling niet kende, heb ik hem gevraagd hoe de hierboven geciteerde beginregels van dit fameuze dierepos aldaar klonken. Zie hier (u mag nu zelf proberen de lettergrepen te beklemtonen):

      Willem die Madocke schreef,
      Waar hij vaak voor wakker bleef,
      Is erover zó gevallen
      Dat aan Reynaerts lotgevallen
      In het Vlaams een stuk ontbrak,
      Door Aernout, die ’t niet voller stak,
      Dat hij de vita zelf ging zoeken
      En hij ze naar de Franse boeken
      In ’t Vlaams aldus heeft aangeheven:
      ‘Mag God ons nu zijn bijstand geven.’

Natuurlijk zijn de beginregels niet representatief voor de hele vertaling. Het gaat er mij slechts om u een indruk te geven van wat u te wachten staat als u deze berijmde vertaling in handen neemt.

Hoewel dat niet expliciet verantwoord wordt, is de vertaling gebaseerd op de Comburgse redactie. Voor wie onbekend is met deze materie: Vanden vos Reynaerde is bewaard gebleven in meerdere handschriften en fragmenten, de belangrijkste twee zijn het Comburgse handschrift en het Dyckse handschrift. Het Dyckse handschrift is ouder dan het Comburgse handschrift, maar de Comburgse Reynaert is ouder dan de Dyckse Reinaert. (Let op het verschil in spelling!) Als leerling van Hellinga en Lulofs ga ik voor Comburg en ben het daarom eens met die keuze. Dat deze dichter van de losse jambische viervoeters ook wat losjes met Comburg omspringt als een andere redactie hem beter uitkomt, is hem als creatieve vertaler vergeven.

Behalve een vertaling bevat dit boek ook een interpretatie die afwijkt van gangbare interpretaties. Broens legt een intertekstuele relatie tussen Vanden vos Reynaerde en het evangelie van Johannes. Die relatie en interpretatie waren onderwerp van een proefschrift dat eenzelfde lot onderging als Cuaert toen die zich in het hol van de vos waagde. Broens volgt Comburg woordelijk met “Manpertuis”. Ik zou daar ‘Maupertuis’ van gemaakt hebben, wat wél een sprekende naam is, en zo ook begreep Balduinus Juvenis het, de auteur-vertaler van Reynardus vulpes, de Latijnse vertaling van Vanden vos Reynaerde: ‘male pertusum’. Dit zou een vette knipoog kunnen zijn naar het kasteel ‘Biaurepaire’ (Fraai toevluchtsoord) van Blancheflor in de Conte du Graal (r. 2386), geschreven voor de graaf van Vlaanderen door Chrétien de Troyes. Maupertuis is Frans voor ‘kwaad hol / gat’, en die betekenis past perfect in de context.
In mijn oren klinkt een intertekstuele relatie met het evangelie van Johannes plausibel. De middeleeuwse spotcultuur nam het niet zo nauw met heilige huisjes en kon heilige zaken probleemloos op de hak nemen. (Maar om tot dat inzicht te komen moet je Franse teksten gaan lezen, en niet ophouden bij Beatrijs en Karel ende Elegast.) Als men ergens in geloofde naast Jezus als God en Verlosser dan was het wel in de bevrijdende lach. Ook met het geloof de spot drijven was ‘normaal’ in de tijd dat Willem de Madoc maakte. Vanden vos Reynaerde is vrij van de preutsheid die het kenmerk is van de latere Reformatie en Contrareformatie. Ik zou zeggen: Kom maar op, René Broens, met je interpretatie!
Even interessant is zijn waarschuwing dat het zinloos is “om het gedrag van de dieren in morele termen te analyseren al krijgen ze in de loop van het verhaal karaktertrekken en individuele namen.” Ook hierin ben ik het met hem eens, en daarvoor beroep ik mij op één van mijn favoriete Esopische fabels: Een schorpioen wil naar de overkant van een rivier. Om daar te komen vraagt hij een waterrat (voor wie de schorpioen een natuurlijke vijand is) hem op zijn rug over te zwemmen. De waterrat zegt: ‘Ik kijk wel uit!’ Waarop de schorpioen zegt: ‘Het zou toch wel heel dom van mij zijn om jou te steken terwijl je mij naar de overkant zwemt?’ ‘Dat is waar,’ zegt de waterrat. ‘Nou, vooruit dan maar’. De schorpioen klimt op de rug van de waterrat en die begint aan de oversteek. Midden in de rivier steekt de schorpioen de waterrat, waarop die nog net kan zeggen: ‘Maar nu gaan we allebei dood! Waarom doe je dat nou?’ Zegt de schorpioen: ‘Ik ben een schorpioen …’

Neem daarom, vossejagers, deze vertaling in handen en dwing u zichzelf om die in losse metrische viervoeters hardop voor te lezen. De corona-dagen zullen aan u voorbij vliegen. En als u vervolgens het nawoord leest dan heeft u, als u er een meer traditionele visie op na houdt, voldoende stof om u aan te ergeren of over op te winden, en dat leidt ook weer af van de angst voor een voortijdige dood door het COVID-19 virus. Kortom, een boek als surfplank om de tweede golf te overkomen.