Een Galenus-dwaling in de grammatica

door Freek Van de Velde

Respect voor oude opvattingen, of voor de wetenschappers die met die opvattingen zijn komen aanzetten, kan een helder inzicht soms in de weg zitten. Aristoteles’ idee dat vrouwen minder tanden hadden dan mannen is lang onbetwist gebleven. Niemand dacht er blijkbaar aan ook eens in de mond van vrouwen en mannen te gaan kijken, en het aantal tanden te tellen. Misschien zat het tandbederf in de middeleeuwen daar wel voor iets tussen. Ook andere anatomische opvattingen zijn pas laat bijgesteld.

Volgens de Judeo-Christelijke leer moesten mannen het met een rib minder stellen dan vrouwen. Een van de ribben van Adam was immers gebruikt voor de schepping van Eva. Dat idee heeft lang standgehouden. Het schijnt pas met Vesalius in de 16e eeuw afgevoerd te zijn (zie Schulz 2010). Je kunt natuurlijk tegenwerpen dat het aantal ribben minder gemakkelijk te tellen valt dan het aantal tanden, en dat is wel zo. Je moet namelijk bereid zijn om een lijk open te snijden. Maar daar staat dan weer tegenover dat het een middeleeuwer toch ook opgevallen moet zijn dat eigenschappen die je in de loop van je leven krijgt, niet zo gemakkelijk overgeërfd worden door je nazaten. Als je een kip kortwiekt, krijgt die geen kuikens die later automatisch gekortwiekte kippen worden.

                Het is trouwens nog maar de vraag of het geloof in het geringere aantal tanden van vrouwen of het geringere aantal ribben van mannen de wereld uit geholpen zou zijn als de middeleeuwer nauwkeurig in de mond of in de buik van mannen en vrouwen gaan kijken was. De duivel kon je op het verkeerde spoor zetten met een optische illusie. Middeleeuwers wantrouwden hun ogen veel meer dan wij (zie Van der Horst 2008: 109-111, 338). Maar belangrijker nog: je kunt toevallig een misvormde man of vrouw voor je hebben. Op het einde van zijn tweedelige essay Een haan voor Asklepios, haalt Rudy Kousbroek (1971: 20) een interessante observatie aan van Erwin Ackerknecht, uit diens A short history of medicine (1955: 94): “In de bijna 1500 jaar volgend op Galenus zagen de anatomen die een lijk dissecteerden alleen datgene wat zij volgens Galenus moesten vinden. De lijken die afweken van de beschrijvingen van de meester werden beschouwd als “slechte” lijken”.

                Je zou dat de ‘Galenus-dwaling’ kunnen noemen: wanneer je de realiteit negeert omdat je verwacht iets anders te zien. Dat verschijnsel doet zich ook wel eens in de taalkunde voor. In Philosophisch-kritische Vergleichung und Würdigung von vierzehn ältern und neueren Sprachen Europens (1794), een door de Berlijnse Akademie bekroond stuk, buigt de theoloog Daniel Jenisch zich over de vraag welke taal het beste uitgerust is om gedachten helder onder woorden te brengen. Op bladzijde 36 zegt hij dat het, alle pogingen van taalkundigen ten spijt, een vruchteloze onderneming is in het barbaarse Gotisch van Wulfila regelmatige vervoegingen en verbuigingen te onderscheiden (zie ook Jespersen 1922: 29-31). Een krasse uitspraak, want het Gotisch is nu juist verrassend regelmatig (zie Van Bree 1995). In principe zien we eigenlijk de omgekeerde denkfout van die welke de middeleeuwse lijkensnijders begaan: bij inspectie van het Gotisch verwacht Jenisch een slecht lijk aan te treffen, terwijl het eigenlijk een prima lijk is, en hij vindt het niet de moeite waard om het grondig te dissecteren. Maar de achterliggende misvatting is dezelfde: Jenisch wordt al beïnvloed door wat hij verwacht te vinden: het Gotisch is de taal van barbaren, dus dat kan niks wezen.

                Wie denkt dat we zulke misvattingen in de ruim tweehonderd jaar die ons scheiden van Jenisch gaandeweg verlaten hebben, gaat voorbij aan het gemak waarmee gegoocheld wordt met wat de ‘eenzinsdeelproef’ genoemd wordt, een klassieker uit de Nederlandse grammatica.

De eenzinsdeelproef vertrekt van het idee dat voor het vervoegde werkwoord in Nederlandse mededelende hoofdzinnen maximaal één zinsdeel staat. Het kan ook wel een half zinsdeel zijn, maar in ieder geval niet meer. Het Nederlands is een zogeheten V2-taal (verbum op de tweede zinspositie). Je kunt die eigenschap van het Nederlands gebruiken om na te gaan of iets één zinsdeel is. Neem een zin als ik heb twee boeken gelezen van Vestdijk. Is van Vestdijk daar een apart zinsdeel? Je zou op die gedachte kunnen komen doordat die voorzetselconstituent op zijn eentje in het achterveld staat. Nee, zeggen syntactici, want je kunt twee boeken van Vestdijk in zijn geheel voor de persoonsvorm zetten: Twee boeken van Vestdijk heb ik gelezen.

Dat is niet zo’n erg overtuigende redenering. Het V2-karakter van het Nederlands volgt juist uit observaties over wat er zoal voor de persoonsvorm kan staan. Als je vervolgens gaat argumenteren dat een groepje woorden voor het werkwoord één zinsdeel vormt, op grond van die V2-eigenschap, heb je een klassieke cirkelredenering (zie Van der Horst 1995: 76). Uit het feit dat je niet elk woord uit een zinsdeel kunt lichten en voor de persoonsvorm kunt zetten (twee heb ik boeken van Vestdijk gelezen is geen goede zin), volgt helemaal niets. Er kunnen allerlei redenen zijn, die niks met V2 te maken hebben, waarom zo’n zin niet goed is. Bijvoorbeeld dat je sowieso moeilijk attributieve voorbepalingen kunt scheiden van het nomen: In de vakantie heb ik twee dat jaar boeken gelezen van Vestdijk is ook geen goede zin, omdat twee en boeken gescheiden worden.

Bij nader inzien zijn er trouwens ook voorbeelden waarbij wat voor het vervoegde werkwoord staat, apert geen zinsdeel is, maar verschillende zinsdelen:

  • Niet in dit model opgenomen zijn de opvattingen over de Arboregelgeving (uit: Van de Velde 2009: 61)
  • Die kinderen die boeken geven kan ik niet (uit: Paardekooper 1971: 184)
  • In bepaalde gevallen immers speelt dat geen rol (uit: ANS2: 1297)
  • Het meest in het oog sprongen de demonstraties van twee groepen boeren uit het noorden van China (uit: ANS2: 1300)

Hoe moeten we (i)-(iv) beoordelen? De meeste grammatica’s zeggen dat dit uitzonderingen zijn. Voor (i) wordt bijvoorbeeld gezegd dat niet in dit model opgenomen in zijn geheel pronominaliseerbaar is: dat zijn de opvattingen over de Arboregelgeving. Of die laatste zin wel de betekenis kan hebben met die negatie, vind ik twijfelachtig. En pronominaliseerbaarheid is hoe dan ook geen werkbaar criterium voor zindeelschap (zie Van de Velde 2009: 75-77). Onder de eenzinsdeelproef zijn (i)-(iv) niets anders dan ‘slechte lijken’ van een de Galenus-dwaling.

Eigenlijk is het veel logischer iets heel anders aan te nemen: voor het vervoegde werkwoord staan een gedachte-eenheid:

“Op die plaats kan elke onafhankelijke constituent staan. Meer dan een zinsdeel is niet verboden, maar het heeft pragmatisch zelden zin om op meer dan een participant (of omstandigheid) bijzondere aandacht te vestigen. Wat natuurlijk wel zin kan hebben, is die participant (of omstandigheid) vergezeld te laten gaan van andere constituenten die er semantisch betrekking op hebben doordat ze de betekenis verder inperken.” (Van de Velde 2009: 62).

Je kunt je trouwens afvragen of we in de grammatica überhaupt zinsdelen nodig hebben. Van der Horst (1995) vindt van niet.

Maar zelfs als je volhoudt dat wat voor de persoonsvorm staat in mededelende hoofdzinnen één zinsdeel is, dan weet je eigenlijk nog niet of twee boeken en van Vestdijk wel één zinsdeel vormen. De mogelijkheid staat open dat het één zinsdeel is in twee boeken van Vestdijk heb ik gelezen en twee aparte zinsdelen in ik heb twee boeken gelezen van Vestdijk. Van een andere zin waarin van Vestdijk niet meteen na twee boeken komt, namelijk Van Vestdijk heb ik twee boeken gelezen,is met allerlei argumenten aannemelijk gemaakt dat we daarin te maken hebben met twee aparte zinsdelen. Dat is althans de uitkomst van een hoog oplopende taalkundige discussie tussen aan de ene kant Jan Kooij en Evelyn Wiers (Kooij & Wiers 1977, 1978, 1979, Kooij 1980), gesteund door Paardekooper (1971)  (het eenzinsdeel-kamp) en aan de andere kant Maarten Klein en Maarten van den Toorn (Klein & Van den Toorn 1978, 1979; Van den Toorn 1982), gesteund door De Haan (1979) en Coppen (1991) (het twee-aparte-zinsdelen-kamp). De argumenten die in stelling gebracht worden zijn heel ingenieus, en zouden hier veel te ver voeren. Het gaat me er hier om dat het helemaal geen uitgemaakte zaak is dat van Vestdijk altijd bij twee boeken hoort als één zinsdeel. Ik denk zelf dat van Vestdijk nooit een constituent vormt met twee boeken, ook niet als het er onmiddellijk op volgt (zie Van de Velde 2009, Hfst. 3), en ik sta niet alleen met die opvattingen (zie bijvoorbeeld Arie Sturm 1986, die ook enigszins in die richting gaat). Dat levert dus de volgende posities op:

  • Van Vestdijk en twee boeken vormen altijd één zinsdeel (Kooij, Wiers, Paardekooper)
  • Van Vestdijk en twee boeken vormen soms één zinsdeel (Klein, Van den Toorn, De Haan, Coppen)
  • Van Vestdijk en twee boeken vormen nooit één zinsdeel. Het Nederlands heeft geen nabepalingen (Sturm, Van de Velde)
  • Het Nederlands heeft geen zinsdelen (Van der Horst)

Opvattingen (c) en (d) worden als vrij ketters ervaren. Maar dat betekent nog niet dat het onzin is.

Aangehaalde werken

  • Coppen, P.-A. 1991. ‘Over vooropstaande PP’s is het laatste woord nog niet gesproken’. Gramma 15: 209-225.
  • De Haan, G. 1979. ‘Onafhankelijke PP-komplementen van nomina’. Spektator 8: 330-339.
  • Jespersen, O. 1922. Language. Its nature, development and origin. Book 1: History of linguistic science. Allen & Unwin.
  • Klein, M. & M. van den Toorn. 1978. ‘Vooropplaatsing van PP’s’. Spektator 7: 423-433.
  • Klein, M. & M. van den Toorn. 1979. ‘Van NP-Beperking tot XP-Beperking: een antwoord op Kooij en Wiers 1978’. De Nieuwe Taalgids 72: 97-109.
  • Kooij, J. 1980. ‘Preposed PPs in Dutch and the definition of grammatical relations’. In: D. van Alkemade, A. Feitsma, W. Meys, P. van Reenen & J. Spa (eds.), Linguistic studies offered to Berthe Siertsema. Rodopi. 85-90.
  • Kooij, J. & E. Wiers. 1977. ‘Vooropplaatsing van PP’s in het Nederlands’. Spektator 6: 445-449.
  • Kooij, J. & E. Wiers. 1978. ‘Vooropplaatsing, verplaatsingsregels en de interne struktuur van nominale groepen’. In: J. Kooij (ed.), Aspekten van woordvolgorde in het Nederlands. Publikaties van de vakgroep Nederlandse Taal- & Letterkunde Leiden. 105-141.
  • Kooij, J. & E. Wiers. 1979. ‘Beperkingen en overschrijdingen: een antwoord aan Klein en Van den Toorn’. De Nieuwe Taalgids 72: 488-493.
  • Kousbroek, R. Anathema’s 3. Meulenhoff.
  • Paardekooper, P. 1971. Beknopte ABN-syntaksis. 4e dr. Malmberg.
  • Schulz, K. 2010. Being wrong: adventures in the margin of error. Ecco.
  • Sturm, A. 1986. Primaire syntactische structuren in het Nederlands. Leiden: Nijhoff
  • Van Bree, C. 1995. ‘De vreemde eenvoud van het Gotisch’. Taal en Tongval 47(2): 96-102.
  • Van den Toorn, M. 1982. Nederlandse grammatica. 8e dr. Wolters-Noordhoff.
  • Van der Horst, J. 1995. Analytische taalkunde. Groningen: Nijhoff.
  • Van der Horst, J. 2008. Het einde van de standaardtaal: een wisseling van Europese taalcultuur. Amsterdam: Meulenhoff.
  • Van de Velde, F. 2009. De nominale constituent. Structuur en geschiedenis. Universitaire Pers Leuven.

Afbeelding: Wikipedia via Wikimedia Commons