Denken we in taal?

Door Marc van Oostendorp

Is er een verschil tussen zinnen en gedachten? Een heleboel zinnen lijken gedachten uit te drukken, en als je bij jezelf naar binnen probeert te kijken als je denkt, kun je daar soms zinnen zien ronddartelen.

Maar denken wij ook in taal? In ieder geval lijkt taal in een opzicht op denken: de creativiteit, die er vooral uit bestaat dat we eindeloos steeds weer nieuwe woorden – in taal – of dingen – in het denken – met elkaar kunnen combineren. Een nieuwe zin is een nieuwe combinatie van bestaande woorden, en zo zou je kunnen zeggen dat een nieuwe gedachte een nieuwe combinatie is van bestaande concepten. Zoals je zinnen kunt maken door twee zinnen met elkaar te combineren (‘Ik ben Job en ik heb een sticker op mijn kop’), zo kun je uit twee gedachten weer een nieuw idee kleien.

Equivalent

Het idee is daardoor onder syntactici populair geworden dat we inderdaad in taal denken. Misschien is het in zekere zin uitgeklede taal: we denken alleen in syntactische structuren. De precieze vormen van de woorden – de klanken waarmee ze uitspreken – worden alleen aan die structuren toegekend als we zinnen uitspreken. Die klanken zijn er voor de communicatie, ze vormen de jas waarmee we onze gedachten warm aankleden als we ze eenmaal zeggen.

Er worden vernuftige argumenten voor de hypothese gegeven, schrijft de jonge Amerikaanse taalfilosoof Gabe Dupre in een onlangs verschenen artikel. Het volgende viertal zinnen lijkt bijvoorbeeld aan te tonen dat we dingen die ongrammaticaal zijn ook niet kunnen denken:

  • Ik breek het poppetje.
  • Het poppetje breekt.
  • Ik maak het poppetje.
  • Het poppetje maakt. (Uitgesloten.)

Vanzelf

De verhouding tussen de eerste twee zinnen lijkt hetzelfde als die tusen de laatste twee. Iets wat een lijdend voowerp kan zijn (het poppetje) kan ook het onderwerp zijn bij dezelfde zin. Toch is de vierde zin ongrammaticaal, om redenen die een uitgebreide syntactische analyse vereisen, die je bij Dupre na kunt lezen, maar die er ook niet zo toe doet: Het poppetje maakt is in het Nederlands (net als zijn equivalent in het Engels) ongrammaticaal.

Maar hij drukt ook iets ondenkbaars uit: het is onmogelijk te bepalen wat ‘het poppetje maakt’ zelfs maar bij benadering zou moeten betekenen. Wordt het poppetje door iemand gemaakt? Of ontstaat het vanzelf (zoals je ook kunt zeggen ‘het poppetje breekt vanzelf’)?

Wat ongrammaticaal is, kun je niet denken, lijkt dit argument aan te tonen. En dan denken we dus misschien in taal – vandaar dat we wel aan brekende poppetjes kunnen denken, maar niet aan makende.

Dicht bij elkaar

Alleen kun je dit argument ook omdraaien, zegt Dupre. Er zijn ook ongrammaticale zinnen die wel degelijk een betekenis kunnen hebben. Als voorbeeld geeft hij (weer vertaald in het Nederlands):

  • Joop niesde zijn tand de tafel over.

Die zin is ongrammaticaal: niezen kan bijvoorbeeld geen lijdend voorwerp hebben. Toch heeft de zin een betekenis – een situatie die je je kunt voorstellen en die alleen met enige omhaal van woorden uit te drukken lijkt in een grammaticale zin (‘Joop niesde zodat zijn tand de tafel over vloog’.)

Er zijn dus als deze redenering klopt ongrammaticale zinnen die toch een gedachte uitdrukken. Maar dan denken we dus niet in zinnen, of althans dan hebben onze gedachten niet de syntaxis van de taal.

Of we taal en denken aan elkaar gelijk kunnen stellen is daarmee volgens Dupre nog een open kwestie: er zijn argumenten voor en tegen te geven. Ze liggen in ieder geval, voor de mens, dicht bij elkaar.

Afbeelding: PsyCatGames