De SS de literatuurwetenschap binnengemarcheerd

Over Hans Robert Jauß en de erfenis van de receptie-esthetica

Door Jos Joosten

Wie zich, zoals ik, bezighoudt met receptieonderzoek kan niet om een van de klassieke grondteksten van de discipline heen: Literaturgeschichte als Provokation der Literaturwissenschaft van Hans Robert Jauß (1921-1997). Het was zijn oratie als hoogleraar aan de nieuw gevestigde Universiteit van Konstanz, uitgesproken op 13 april 1967, en wordt algemeen gezien als internationaal startschot van het receptieonderzoek. Jauß’ academische carrière schoot nadien richting firmament. Zijn werk werd vertaald, hij werd gasthoogleraar in Zürich, Berlijn, aan Yale, Princeton en Berkeley en de Sorbonne. Als grondlegger van de zogenaamde ‘Konstanzer Schule’ gold hij als het trotse internationale uithangbord van de jonge universiteit.

Alweer enkele jaren lezen ook onze eerstejaars Nederlands zijn fascinerende oratie (in Nederlandse vertaling). Bij het inleidende hoorcollege dat ik er over geef, meld ik ook wat over Jauß’ wetenschappelijke loopbaan. Terloops zag ik destijds bij de voorbereiding vermeld dat Jauß tijdens de oorlog lid van de SS was geweest. Aanvankelijk besteedde ik er weinig aandacht aan. Om een of andere reden nam ik een beetje aan dat het een ‘lucebertje’ betrof: een multi-interpretabele slip of the pen.

Decoraties

Na lezing van het drie jaar geleden verschenen Hans Robert Jauß: Jugend, Krieg und Internierung van Jens Westemeier (konstanz univesity press 2017) heb ik die initiële gedachte zeer grondig moeten bijstellen. Om kort te gaan: Jauß was een 24-karaats nationaalsocialist, had een glanzende carrière binnen de Waffen-SS en heeft de rest van zijn naoorlogse leven in de ontkenningsfase doorgebracht.

Westemeiers gedetailleerde studie, die in Nederland zo goed als onopgemerkt is gebleven, behalve in een mooie beschouwing van Peter J.L.Flaton op neerlandistiek, is niet anders te typeren dan als schokkend. Ook als je niet direct geïnteresseerd bent in Jauß, is zijn boek te lezen als universeel verhaal van hoe het een, in de twintiger jaren geboren, ambitieuze en intelligente Duitse jongeman uit de middenklasse kon vergaan. Jauß’ ouders, beide actief in het onderwijs, waren al zeer vroeg overtuigde Nazi’s, hijzelf trad toe tot de Hitler Jugend, toen dat nog niet verplicht was, en werd al snel kaderlid. Op zijn achttiende meldde de ‘extrem politisierter Oberschuler’ zich vrijwillig bij de SS, de ‘Avantgarde der NS-Bewegung’, en zette hij zijn bliksemcarrière door. Op zijn 23-ste was hij de jongste SS-Sturmbannführer van de Waffen-SS, tijdens de oorlog ontving hij hoge decoraties.

Oorlogsmisdadiger

Geheel terzijde. Mensen die de neiging hebben ons huidige staatsbestel als ‘fascistisch’ te betitelen of politici als Wilders of Baudet als zodanig te kwalificeren, zouden alleen de eerste 30 pagina’s van Westemeiers boek moeten lezen om te zien wat het leven in een echt fascistisch land betekende. Dat al vóór de machtsovername Hitler in 1932 een défilé afnam van 80.000 (vrijwillige!) leden van de Hitlerjugend; dat op Jauß’ gymnasium in Geislingen, diep in de provincie, het grootste deel van de docenten NSDAP-lid was, van wie een aantal zeer fanatiek; dat er regelrechte Nazi-invloed op het onderwijsprogramma plaatsvond; dat gemeenteambtenaren, familieleden, ouders van vrienden allen – vaak passief maar toch – partijlid waren. Midden jaren dertig zat de NSDAP tot in de haarvaten van de Duitse samenleving. Om die allesomvattende diepgaande invloed op het alledaagse leven vast te stellen heb je geen maatschappelijk duider als Lange Frans nodig.

Het grootste deel van Westemeiers boek brengt Jauß’ militaire bewegingen nauwgezet in kaart. In de meidagen van 1940 is hij in Nederland, hij verzeilt in Frankrijk en verblijft vervolgens het grootste deel van de oorlog aan het Oostfront. Daar nam hij onder meer deel aan de blokkade van Leningrad, die het oogmerk had de stad uit te hongeren (ik wist niet dat dat 1.1 miljoen inwoners van de stad het leven kostte) en was hij met zijn bataljon betrokken bij het plunderen en platbranden van een Kroatisch dorp en standrechtelijk executeren van partizanen. Van Jauß’ fysieke betrokkenheid vond Westemeier geen bewijs. Maar volgens de tegenwoordig gehanteerde definitie maken met name de activiteiten van Jauß in Kroatië hem tot oorlogsmisdadiger.

Misdragingen

In het laatste jaar van de oorlog volgde de SS-officier enkele colleges aan een Duitstalige universiteit in Praag. Via een bevriende ambtenaar werd dit schriftelijk opgeschaald naar twee volle semesters. Na afloop van de oorlog combineerde hij dit certificaat met een vervalste versie van zijn oorlogsverleden: ja, hij was wel aan het Oostfront geweest, maar als gewone onderofficier bij de Wehrmacht. Dat bleef zijn strategie (en die van veel andere ex-SS’ers): ze waren ‘Soldaten wie andere auch’. Hij schreef zich in aan de universiteit van Bonn, maar werd alsnog gearresteerd op last van de Amerikanen. Vervolgens werd hij twee jaar geïnterneerd in Recklinghausen, waar hij alsnog een universitair collegeprogramma kon volgen. Westemeier stelt nogal ironisch vast dat Jauß zo nog twee jaar de collegebanken deelde met alte Kameraden. Uiteindelijk wordt Jauß, wederom op basis van zijn vertekende verleden en na een magere zuiveringsprocedure, gekwalificeerd als ‘Mitlaufer’ en begint in januari 1948 zijn burgerlijk leven.

Uiteindelijk begint Jauß’ zorgvuldig volgehouden verhaal pas barsten te vertonen tegen het einde van de 20ste eeuw. Geruchten worden steeds pertinenter. Een aangekondigd eredoctoraat aan de Universiteit van Toulouse wordt in 1982 op het laatste moment afgeblazen, omdat het Franse ministerie op Jauß’ ware dossier was gestuit. Een voorgenomen benoeming tot erelid van de Amerikaanse Modern Language Association ging midden jaren tachtig om dezelfde reden niet door: ook in de Verenigde Staten lag het oorlogsdossier van Jauß intussen op tafel.

Jauß’ strategie bleef in deze decennia steeds dezelfde, zo toont Westemeier: ontkennen, liegen en downplayen. Hij was zo gezegd soldaat als alle anderen geweest – en veel te druk met vechten om te weten wat de SS aan grove misdragingen pleegde. Westemeier laat overtuigend zien dat Jauß alles hat gewusst.

Bindingen

Ruim twee decennia na zijn dood bleef het oorlogsverleden van Jauß de gemoederen bezighouden, zeker aan de Universiteit van Konstanz die zich vanaf de oprichting afficheerde als liberale, vooruitstrevende én naoorlogse (dus zonder beladen geschiedenis) Reformuniversität. Op de campus werden meerdere debatten georganiseerd. Ook Westemeier deed voerde zijn zeer kritische onderzoek uit met een officiële opdracht van de universiteit.

Relevante vraag is natuurlijk of zich iets van Jauß’ diepgewortelde nazi-ideologie laat aflezen in het literair-wetenschappelijk werk waarmee hij wereldberoemd werd. De meningen blijven hier over verschillen. Eén van Westemeiers Amerikaanse bronnen maakt de vergelijking met de zaak Paul De Man en stelt vast dat beiden ‘were profound relativists and believed that truth was what you made it to be and had no objective existence’. Zij noemt dit ‘thought-provoking’, en dat is het misschien maar ik vind het toch vooral wat vergezocht.

Wie Literaturgeschichte als Provokation der Literaturwissenschaft leest kan, denk ik, niet anders dan vaststellen dat hier een dynamische, dialogische literatuurbenadering wordt uiteengezet die vooral aansluit bij de bredere subject-turn in de naoorlogse literatuurwetenschap en die verre van elk nationaalsocialistisch gedachtengoed blijft. Jauß formuleert stellingen als: 

Het literaire kunstwerk is geen opzichzelfstaand object dat zich aan iedereen op ieder moment op identieke wijze presenteert. Het is geen monument dat in alleenspraak zijn tijdloze wezen openbaart. 

Dit staat mijlenver van de classicistische, duizendjarige eeuwigheidspretenties die een onwrikbare ideologie als het nationaalsocialisme uitdraagt. Zijn oratie eindigt hij door een ronduit idealistisch programmatisch perspectief te openen: onderzoek naar de ‘literaire evolutie’ maakt de weg vrij naar een ‘werkelijk maatschappijvormende functie’ die de literatuur ‘in zijn concurrentie met andere kunstvormen en maatschappelijke machten bij de emancipatie van de mens uit zijn natuurlijke, religieuze en sociale bindingen wist te verwerven.’

Ik lees dit nog steeds als het emancipatoire, democratische manifest dat het is. Maar ik merk nu ook dat kennis van Jauß’ verleden een schaduwtje van achterdocht op elke zin in zijn prachtoratie legt.