De Os Frontis van Molyneux

Over het voorhoofdsbeen dat van een reusachtige Patagoniër zou zijn geweest

Bron: Byron, A voyage round the world, in his majesty’s ship the Dolphin (…) a minute and exact description (…) of the gigantic people called Patagonians (1768)

Door Henk Hiensch

In de 17e eeuw ontdekte een Ierse arts een reusachtig menselijk voorhoofdsbeen, of Os frontis, in de collectie van de Leidsche Hoogeschool. Hij meende dat dit het ultieme bewijs was van het bestaan van reuzen. Voordat we hier dieper op in kunnen gaan, moeten we eerst een krappe negentig jaar verder terug in de tijd.

Het is 1598. Admiraal Olivier van Noort, de beroemde Nederlandse ontdekkingsreiziger, is met zijn vloot onderweg om de zeeroute rond Zuid-Amerika te verkennen. De Spanjaarden en Portugezen hadden al meerdere reizen naar het westen (Amerika) en het oosten (Indië) gemaakt, dus de Nederlanders konden niet achterblijven om nieuwe routes te ontdekken. Al was het maar omdat ze in oorlog waren met Spanje en de Spanjaarden niet wilden tegenkomen op hun reizen naar Indië.

Op 20 oktober 1599 kwamen Van Noort en zijn mannen aan in Porto Desire, een haventje in Patagonië dat Thomas “the navigator” Cavendish in 1586 vernoemd had naar zijn eigen schip Desire.
Op gegeven moment dachten enkele van de bemanningsleden mensen op land te zien, en het schip ging voor anker zodat men kon proberen contact met deze mensen te leggen. Twee sloepen met zesentwintig mannen aan boord voeren naar de kust. Op enige afstand van de kust stopten ze, en terwijl vijf bemanningsleden achterbleven om de sloepen te bewaken, stapten de anderen uit en waadden naar het strand. Daar vertrokken zij landinwaarts, op zoek naar de mensen die ze gezien hadden.

Dit duurde allemaal wat lang. De vijf mannen die in twee sloepen voor de kust dobberden kregen het koud, en ook zij besloten aan land te gaan. Zij zetten nog maar net voet aan wal of ze werden aangevallen door mensen die zich schijnbaar al die tijd verstopt hadden. Met pijl en boog schoten deze Patagoniërs op de Nederlandse indringers. Drie van hen werden direct dodelijk getroffen, de andere twee mannen snelden terug naar de sloep. Terwijl ze aan boord sprongen werd een van hen nog in het been geraakt.

Toen de verkenners uiteindelijk terugkwamen waren zij erg verrast om slechts een enkele sloep voor de kust en drie dode bemanningsleden op het strand te vinden. Er was verder niemand en ook tijdens hun eigen wandeling in de binnenlanden waren ze niemand tegengekomen. Het groepje mannen voer terug naar het schip en daar vertelden de twee overlevenden wat er gebeurd was:

“… datter omtrent dertich Menschen op’t landt waren geweest, die seer groot van gestalt waren, hebbende lanck haer, ende het Aenghesicht geschildert, seer wreedt daer uyt siende Teneyt van Huyt, ende hebben kleyne Boghen met Pijlen, daer Harpoenen van Steen seer subtiil aen ghemaect zijn, waer mede sy seer fel schieten.”

Opvallend van dit voorval is de korte omschrijving van de aanvallers, en dan met name hun lengte: ze waren “zeer groot van gestalte.” Is dat overdreven praat van een angstige overlevende, of is het werkelijk meldenswaardig groot? En hoe groot is dat dan? Voor een antwoord op deze vragen lezen we verder in het reisverslag van Van Noort. Het is namelijk na afloop van een nieuwe aanval, een maand later, dat de Nederlanders meer te weten komen over deze grote mensen.

De vloot vaart door de Straat Magellaan en daar komen Van Noort en zijn mannen op 25 november 1599 twee eilanden tegen, waarvan het noordelijk gelegen en kleinste eiland bewoond blijkt te zijn. Er zijn ongeveer veertig eilandbewoners te zien en de Nederlanders roeien opnieuw in twee sloepen naar de kust. Eenmaal daar gebaren de bewoners boos dat zij weg moeten gaan, en wanneer de Nederlanders toch dichterbij komen, beginnen ze met pijlen te schieten. Drie of vier van de bemanningsleden worden geraakt. Wat doe je dan, als je overduidelijk niet welkom bent? Van Noort:

“… ende al hoe wel wy met gheweldt tot haer aen quamen/ wilden sy ’t even wel niet op geven.”

Natuurlijk! Gewoon doorgaan, en nu met geweld! En dan zijn het de “wilden” die niet van opgeven willen weten? Anno nu is deze manier van doen (als het goed is) volslagen krankzinnig. Dat zogenaamde ontdekken ging destijds “gewoon” gepaard met enorme hoeveelheden grof geweld, maar nee, eilandbewoners die hun eigen grondgebied verdedigen tegen indringers: dát zijn wilden, dat zijn degenen die niet van opgeven willen weten.

Van Noort en zijn mannen lopen tussen de gesneuvelde eilandbewoners door en vinden enkele vrouwen die hun kinderen proberen te beschermen tegen al het geweld. Daarvan nemen zij schaamteloos vier jongens en twee meisjes mee terug naar hun boot. Een van hen leren zij Nederlands en dit kind legt uit hoe de mensen en eilanden hier heten. Het aangevallen volk heet Enoo, en het eiland waar zij op woonden noemen zij Cossi (“maer dit Eylandt is ghenaemt Talcke” voegt Van Noort betweterig toe in zijn reisverslag).

Van dit kind leren ze meer over de grote mensen door wie de Nederlanders een maand geleden zijn aangevallen. Het zouden de Tirimenen geweest zijn, afkomstig uit een land genaamd Coin. Deze “mensen als reuzen” zouden tien of elf voet lang zijn. Als we de gemiddelde 17e eeuwse voetmaat omrekenen naar meters komen we op een lichaamslengte van ongeveer drie meter.

Kan dat wel kloppen? Is dit niet ook een overdrijving, of sterker nog, een vergissing? We hebben het hier namelijk over een omschrijving van een ontvoerd Zuid-Amerikaans kind dat Nederlands heeft “geleerd” en aan zijn ontvoerders moet vertellen over de volkeren die hij kent. Genoeg ruimte voor vergissingen, overdrijvingen of bewuste misleiding.

Toch is het niet helemaal terecht om het daarmee af te doen. Meerdere Europeanen geven aan dat ze deze grote mensen gezien hebben. En in al deze verhalen hebben ze een vergelijkbare grote lichaamslengte. Ferdinand Magellan, de Portugese admiraal naar wie de Straat van Magellaan genoemd is en die als eerste mens ooit de wereld rondvoer, heeft ze ook gezien in 1519. Zijn bemanningsleden zagen op het strand een grote man dansen. Een van de bemanningsleden werd op het strand gestuurd om de dans te imiteren en goede wil te tonen. Ze nodigden hen uit op hun schepen, toonden hen bijzonderheden en gaven hen eten, drinken, kralen, spiegels en andere geschenken. Over de lichaamslengte schrijft Magellan (vertaald):

“Hij was zo groot dat wij slechts tot zijn middel kwamen, en hij was goed geproportioneerd.”

Op dit moment lijkt de behandeling die de Patagoniërs van Magellan en zijn mannen ontvangen een stuk vriendelijker dan die zij jaren later van de Nederlanders zullen ontvangen, maar dat is maar schijn. Verderop lezen we hoe de Portugezen en Spanjaarden (Magellan had bemanningsleden van beide nationaliteiten) hen tijdens het uitdelen van geschenken stiekem voetkettingen omdoen om hen te kunnen meenemen naar Europa. Deze vertrouwensbreuk verklaart mogelijk waarom de Patagoniërs de Nederlanders niet warm onthaald hebben…

Hoe dan ook, het lijkt er bijna op dat deze Patagoniërs dus werkelijk groot waren. De Nederlanders bevestigen wat de Spanjaarden en Portugezen al hadden vastgesteld. Ook de eerder genoemde Thomas Cavendish beschrijft ze, dertien jaar voor de Nederlanders aankwamen:

“A wild and rude sort of creatures, they were, and as it seemed of a gigantic race, the measure of one of their feet being eighteen inches.”

Omdat voetmaten in redelijke verhouding staan met lichaamslengte, kunnen we met de gemiddelde height-to-foot-ratio vaststellen dat deze mensen ongeveer drie meter lang zouden zijn geweest. Precies zoals Van Noort het omschrijft.

Alhoewel een lichaamslengte van drie meter onrealistisch groot klinkt, kunnen we dat gegeven niet al te snel wegwuiven. Het is door veel te veel mensen bevestigd. Dat de Patagoniërs werkelijk zo lang waren als is beschreven is een bijzondere, maar wel eenvoudige en dus misschien juist meest waarschijnlijke interpretatie van de feiten. Het enige alternatief zou een theorie zijn die verklaart hoe zoveel mensen zich onafhankelijk van elkaar op dezelfde manier hebben vergist, of de boel bijeen hebben gelogen. Ik kan geen theorie met die strekking bedenken die simpeler is dan de aanname dat alle ooggetuigenverslagen kloppen. Maar als we er nu even van uitgaan dat dat volk werkelijk zo’n drie meter lang geweest is, hoe kan dat dan?

De enige verklaringen die de medische wereld kan bieden zijn acromegalie en gigantisme. In beide gevallen gaat het daarbij om een goedaardige tumor in de hypofyse, het hormooncentrum, wat resulteert in een overschot aan groeihormoon. Vindt dit plaats bij een volwassene, dan zijn het vooral, maar niet alleen, de uiteindes van het lichaam (handen, voeten, onderkaak) die opvallend groot worden (acromegalie). Gebeurt dit wanneer een kind nog in de groei is, dan wordt het hele lichaam proportioneel veel groter dan normaal (gigantisme).

Deze aandoeningen zijn zeer zeldzaam, niet erfelijk, en leiden niet tot een lichaamslengte van drie meter. Ze vallen dus af als verklaring van hoe normale mensen zo groot kunnen zijn. Maar misschien zit daar juist de crux. Als we er nog steeds even vanuit gaan dat deze mensen drie meter lang waren, waren het dan wel grote “normale” mensen? Waren het niet mensen die op een of andere manier van zichzelf zo groot waren? Als we kijken naar pygmeeën, dan zien we volkeren waarvan over het algemeen geen enkele volwassene groter is dan anderhalve meter, zonder dat daar sprake is van dwerggroei. Het zijn mensen die “gewoon” klein zijn van zichzelf. Waren de Patagoniërs niet “gewoon” groot van zichzelf? Het zou kunnen, maar het bewijst natuurlijk niks.

En nu komen we op het voorhoofdsbeen. Het bewijs dat deze mensen werkelijk zo groot waren lijkt in 1684 geleverd te worden. De Ierse arts Thomas Molyneux ontdekt in de collectie van de medische faculteit van de Hoogeschool Leyden (nu de Leidse Universitaire Collectie) een reusachtig menselijk voorhoofdsbeen. De hoogleraar anatomie Dr. Drelincourt vertelt Molyneux dat hij het heeft gevonden tussen de andere botten, maar niet weet wie het geschonken heeft, hoe oud het is of waar het gevonden is.

Bron: Molyneux, T., An Essay concerning giants, occasioned by some further remarks on the large humane os frontis, or forehead-bone, mentioned in the Philosophical Transactions of February, 1684/5 number 168. volume 22 (1700)

Molyneux is overtuigd dat het van een reus was. Hij stelt dat, indien de lengte van het lichaam in verhouding is met de grootte van het voorhoofdsbeen, de persoon volgens de meest bescheiden berekening zo’n elf voet lang geweest moet zijn. Dat zou dus opnieuw neerkomen op een lichaamslengte van zo’n drie meter. Hij speculeert dat het voorhoofdsbeen zeventig tot tachtig jaar geleden door de Hollanders kan zijn meegenomen uit Zuid-Amerika, waar zij destijds veel gehandeld hebben en veel ontdekkingen hebben gedaan. Zou dit voorhoofdsbeen van een Patagoniër komen?

Het is best mogelijk dat een stuk bot als dit een souvenir is van Zuid-Amerika. De Duits-Nederlandse geschiedkundige Johan Picardt schreef in 1660:

Dat enorme gebeente/ dat noch heeden ten dage in Hispanien en Portugal bewaert wert/ derwaerts gebraght uyt Peru en Mexico, geven getuygenissen van de groote Reusen die voortijts oock in Americka gedomineert hebben. Wat reliquien en merck-teyckens van Reusen dat voor eenige jaren onse Nederlantsche Matrosen gevonden hebben in Chili, is notoir.”

En inderdaad, omstreeks 1575 ontmoet de Franse reiziger Andreas Thevet in het Afrikaanse Arguin (een eiland voor de kust van Mauritanië) een Spaanse koopman die schipbreuk had geleden op de terugweg van Zuid-Amerika. De koopman was daarbij zijn schip verloren, veel van zijn handelswaar en bijna zijn gehele bemanning, maar hij had nog wel een waardevolle koffer met botten kunnen redden. Deze botten zouden van een Zuid-Amerikaanse reus geweest zijn, gestorven in 1559 met opnieuw een lichaamslengte van iets meer dan elf voet. Thevet mat de botten verbaasd na en kon het, dankzij een dijbeen van maar liefst drie voet en een duim, alleen maar bevestigen.

Terug naar het Nederlandse voorhoofdsbeen. Volgens de oudste inventarisatie van de Leidse collectie uit 1620-1628 hing er in het Leidse Anatomisch Theater een groot bord met daarop:

“driederlei afbeeldingen met root crijt van een monstreus hooft, dat gheen voorhooft en heeft.”

Hoogstwaarschijnlijk is dat de rest van de schedel. Deze en andere botten zijn verzameld door de arts Otto Heurnius. Heurnius was bijzonder hoogleraar medicijnen, hoogleraar anatomie, en directeur van de Anatomiekamer (later Kabinet van anatomie en rariteiten). De Leidse historica Artie Ponsen vertelt me dat hij alles verzamelde wat los en vast zat. De volgende brief van de Amsterdamse Michael Paauw begeleidde de schenking van de “resterende delen” van deze grote schedel:

Amsterdam den 12 Juli Ao 1623

Achtbare Wijse Hoochgeleerde,

Hier nevens sente ’t gedeelte van d’hoofdbeenderen, waer van onlancx geleden belofte gedaen hadde, tis zoo, dat omtrent drie jaren geleden deselfde noch aen den anderen geweest sijn, ende door onvoorsichticheyt met den voet vaneen getreden, sulcx dat de resterende stucken vermist en niet te bekomen waren. Ued. gelieve het defect met myne genegentheyt te suppleren, waer mede endende, blyft de bescherminge des Allerhoochsten bevoolen, en syt hertelyc van ons gegroet,

Ued. Dienstwillige,

Michael Paauw

Hoe komt een Amsterdammer aan zo’n groot schedel? Een aantekening hierover van de hand van Heurnius, te vinden in de grote verhandeling van Eduard Sandifort uit 1783, onthult eindelijk de ware herkomst en aard van de bijzondere Os Frontis:

“Den voors heer Michael Paauw Schepen der Stadt Amsterdam, refereerde mi op den 29 Juni an. 1623 als hi met syn huysvrouwe en andere vrunden de Anatomie besag, dat dit voorsz. Hooft tot Amsterdam in de Nieuwe Kerk, voor de Bibliotheekx inganck lag begraven, so hem de Coster hadde aenghedient, doen hi daer Kerkmeester was: ende dat het was het hooft van een persoon binnen Amsterdam gheboren, de welke maer en was gheweest van ordinaire Stature; dan hadde dusdanigen grooten monstreusen hooft, waer om hi oock niet en konde gaen, dan moste altyt, syn leven lanck, in een stoel sitten.”

En dat was het dus. De oorspronkelijke eigenaar van de mysterieuze Os frontis van Molyneux was een gewone Amsterdammer met een enorm waterhoofd. Volgens Heurnius was hij een “kleinen, 40-jarigen, onnoozelen boer.” Zijn schedel is in 1623 in etappes in losse stukken aan Heurnius geschonken, die nadien niet geprobeerd heeft deze losse stukken in elkaar te zetten. De nieuwe hoogleraar Drelincourt wist van niks en kon de gefascineerde Ierse arts Molyneux daarom niets uitleggen. Jaren later is de schedel toch nog in elkaar gezet en het bevindt zich vandaag de dag in de collectie van het Anatomisch Kabinet in het Leids Universitair Medisch Centrum, de opvolger van het eerder genoemde Kabinet van anatomie en rariteiten. Op de foto hieronder is goed te zien hoe extreem opgeblazen de schedel werkelijk was.

Afbeelding afkomstig van het fotoarchief van het Leids Universitair Medisch Centrum (2020), gebruikt met toestemming van dhr. A.J. van Dam, curator-conservator van het Anatomisch Kabinet

Is het raadsel van de grote Patagoniërs daarmee opgelost? Het is makkelijk om te denken van wel, maar feitelijk is nu alleen het raadsel van het voorhoofdsbeen opgelost. Dat dat uiteindelijk van een Nederlander met een waterhoofd blijkt te zijn geweest, bewijst niets over het al dan niet bestaan hebben van de grote Patagoniërs die in de 16e eeuw gezien zijn.

De laatste ontmoeting met dit Zuid-Amerikaanse “reuzenvolk” was in de 18e eeuw, vijftien jaar voordat Sandifort zijn boek over de Leidse collectie schreef. Het Engelse schip “the Dolphin” dat onder bevel stond van commodore Byron, kwam in 1768 aan in Patagonië. Daar ontmoetten de Engelsen “men of such enormous size.” Wanneer deze indianen op de grond zaten, om kralenkettingen om hun nek te kunnen ontvangen, waren zij bijna net zo groot als de staande Engelsen. Over hun lichaamslengte schrijft men:

Their middle stature seemed to be about eight feet ; their extreme nine and upwards ; tho’ we did not measure them by any standard, and had reason to believe them rather more than less.”

De eerder gerapporteerde lichaamslengte van elf voet, of drie meter, is eind 18e eeuw zo te lezen teruggebracht tot een geschat gemiddelde van ach voet, of iets meer dan twee meter. Dat is nog steeds erg groot, maar al iets realistischer. Als deze grote indianen werkelijk nog tot in de 18e eeuw geleefd hebben, wat kan er dan met ze gebeurd zijn?

We hebben gezien dat de Patagoniërs heel wat te lijden hebben gehad van de Europeanen. Ook al pretendeerden ze soms nog even goede bedoelingen te hebben, vroeg of laat ontpopten de Spanjaarden, Portugezen en Nederlanders zich allemaal tot oorlogszuchtige verraders, en probeerden ze de Patagoniërs te vangen of te doden. Ook de Britten konden er wat van. In het verslag van Byron lijken ze de Patagoniërs goed te behandelen, maar slechts enkele jaren eerder hebben de Britse troepen de indianen van Noord-Amerika een heel andere behandeling gegeven.

In 1763 werd Fort Pitt in Penssylvania belegerd door indianen. De Engelsen hadden hun belofte gebroken om na het verslaan van de Fransen uit het gebied te vertrekken. De situatie in het fort was onhoudbaar en de indianen waren te talrijk en te sterk. Sir Jeffrey Amherst, commandant van de Britse strijdkrachten in Noord-Amerika, kwam toen op het idee om pokken in te zetten tegen de indianen, en daarbij “elke andere methode die maar kan dienen om dit ras te vernietigen.”
Voordat dit naar het fort gecommuniceerd kon worden, was iemand anders daar al op hetzelfde idee gekomen. Toen de moe gestreden indianen er niet in geslaagd waren de Britten met onderhandeling of geweld van hun land af te krijgen, kregen zij van de Britten twee met pokken besmette dekens mee voor de terugreis, afkomstig uit het noodhospitaal. “Ik hoop dat dit het gewenste effect zal hebben,” schrijft militair William Trent die avond in zijn dagboek.

Mede (maar niet uitsluitend) door deze verraderlijke daad vond er onder de indianen een grote uitbraak van pokken plaats. Zulke uitbraken vonden overigens al meer dan tweehonderd jaar lang onbedoeld plaats, sinds de eerste Europese kolonisten met de indianen in contact kwamen.

Of de grote Patagoniërs nu zijn uitgeroeid door het oorlogsgeweld van de Europeanen, hun ziektes, of op een andere manier, het is in ieder geval zeker dat ze er vandaag de dag niet meer zijn. Dat deze ooit zo vriendelijke mensen van vlees en bloed vroeger wél echt in Zuid-Amerika hebben rondgelopen, valt eigenlijk niet te ontkennen. Het enige dat nog ter discussie kan staan is hun grote lichaamslengte, en hoe graag Molyneux het ook gewild zou hebben, het Leidse voorhoofdsbeen kan helaas niets aan deze discussie bijdragen…

Bronnen

  • Barge, J.A., De oudste inventaris der oudste academische anatomie in Nederland (1934)
  • Byron, A voyage round the world, in his majesty’s ship the Dolphin (…) a minute and exact description (…) of the gigantic people called Patagonians (1768)
  • Christopher, G., Cieslak, T., Pavlin J., e.a., Biological warfare. A historical perspective (1997)
  • Henderson DA, Inglesby TV, Bartlett JG, e.a., Smallpox as a biological weapon: medical and public health management (1999)
  • Molyneux, T., An Essay concerning giants, occasioned by some further remarks on the large humane os frontis, or forehead-bone, mentioned in the Philosophical Transactions of February, 1684/5 number 168. volume 22 (1700)
  • Molyneux, T., Of a prodigious Os Frontis in the Medicine School, at Leyden. No. 168 p. 880. In: Ch. Hutton, G. Shaw, & R. Pearson, The Philosophical Transactions of the Royal Society of London (1683)
  • Noort, O. van, Beschrijvinghe vande voyagie om de geheelen wereldt Cloot ghedaen (1601)
  • Picardt, J., Korte beschryvinge van eenige vergetene en verborgene antiquiteten van ’t Oude Vrieflandt (1660)
  • Pigafetta, A. The first voyage around the world 1519-1522 – an account of Magellan’s expedition (2007)
  • Sandifort, E., Exercitationes academicae (1785)
  • The London Magazine, Or, Gentleman’s Monthly Intelligencer, august (1766)
  • Vroegere en latere mededelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, Eenige mededeelingen over hetgeen de wetenschap leert omtrent het bekend zijn van andere met onzen overeenkomende scheedels (1866)
  • Wijngaarden, W.D. van, Van Heurnius tot Boeser. Drie eeuwen Egyptologie in Nederland (1620-1935) (1935)