Als ik nu met jou spreek, wanneer moet ik dan met een ander spreken?

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (1: Nachoem Wijnberg, Joodse gedichten)

Door Marc van Oostendorp

Van de drie klassieke hoofdgenres – lyriek, epiek, dramatiek – spelen persoonlijk voornaamwoorden de intrigerendste rol in het eerste genre. In toneel is vrijwel altijd volkomen duidelijk wie er met ik of jij bedoeld wordt: degene die nu aan het woord is, degene tot wie de spreker zich richt. In verhalen kan het soms wat ingewikkelder worden – romans met vertellers in de ik-vorm, boeken waarin ineens de lezer wordt aangesproken – maar ook hier geldt doorgaans dat de personages weliswaar verzonnen zijn, maar zich toch meestal houden aan de conventies van wie er de eerste, de tweede of de derde persoon is.

In de lyriek ligt dat allemaal een stuk ingewikkelder. Er is vaak sprake van een ik, het ‘lyrisch subject’, maar die valt niet per se samen met de schrijver van het gedicht, terwijl het ook niet gaat om een fictief personage. In een gedicht, of een liedtekst, doet de spreker of zanger niet alsof hij eigenlijk iemand anders is. Lyrische teksten zijn min of meer losgezongen van de concrete situatie, het is een stem die spreekt zonder lichaam.

Een specifieke vorm hiervan is ook nog de eerste persoon meervoud, het wij, dat natuurlijk van oudsher geassocieerd wordt met lyrische passages in klassiek drama, de reien. Het is vaak een wij zoals je dat in niet-lyrische taal niet vaak vindt, namelijk een echt meervoudig ik: meerdere personen die in koor over zichzelf praten (en niet een ik die namens een groep spreekt).

Zoiets geldt ook voor de tweede persoon, jij, gij, u (of, ook hier weer, de meervoudige vorm jullie). Kenmerkend is dat ook hiervoor een aparte naam bestaat die voor andere genres ontbreekt: de apostrofe. Gedichten en liedjes kunnen gericht zijn aan allerlei instanties, ook die je normaliter niet aanspreekt: overledenen, bijvoorbeeld, of “oh, oude eik”.

En dan is er nog de derde persoon die vooral sinds de twintigste eeuw het lyrisch subject lijkt te vervangen (‘Hij was een avond vroeg naar bed gegaan‘), ongeveer zoals sinds de negentiende eeuw de ik de roman was binnengedrongen als personage, en niet alleen als verteller.

Je zou kunnen zeggen dat persoonlijk voornaamwoorden daarmee het basismateriaal zijn van de lyriek. Doordat lyrische teksten zich loszingen van een concrete situatie, of in ieder geval van het hier en nu, raken de persoonlijk voornaamwoorden daarvan ook losgekoppeld. Maar omdat taal in zekere zin altijd minstens een eerste en een tweede persoon impliceert, krijgen die altijd een nieuwe functie.

Een van de weinige hedendaagse geleerden die aandacht hebben voor de problematiek – in het bijzonder die van de apostrofe – is de Amerikaan Jonathan Culler (twee jaar geleden besprak ik een boek van hem). In een artikel uit 1994 wijst Ernst van Alphen al op diezelfde Culler als een van de weinigen die iets kunnen met die apostrofe.

Volgens Van Alphen was het overigens zo dat moderne dichters de tweede persoon vermijden, maar ik zie daar geen bewijzen voor. De spanning van heel veel hedendaagse dichtkunst is nog steeds een spanning die wordt gecreëerd door pronomina. Dat wil ik laten zien in deze reeks, aan de hand van recente dichtbundels.

Zoals het deze maand verschenen Joodse gedichten van Nachoem M. Wijnberg. Wijnbergs poëzie kenmerkt zich niet door wilde gevoelsuitbarstingen, en is in die zin niet lyrisch, maar het speelt wel met pronomina. Veel van zijn recente bundels hebben een thematische samenhang: de gedichten in Van groot belang gaan bijvoorbeeld over economische onderwerpen en vorig jaar verscheen Voetbalgedichten. Het Jodendom is (anders dan het voetbal) een terugkerend thema: eerder schreef Wijnberg een roman De joden.

Zeker in deze thematische bundels is Wijnbergs kunst ideeënpoëzie – allerlei ideeën en gedachten krijgen een talige vorm, zonder dat er per se uit gekozen wordt. Joodse gedichten gaan op die manier over het Jodendom. Van alles komt er bij aan de orde, van allerlei beroemde Joodse dichters en denkers (van Maimonides tot en met Levinas, van Mozes tot en met Jacob Israël de Haan). De Jood (of is hij wel een Jood?) die het meest genoemd wordt is de Messias.

Sommige classics van de Joodse identiteit worden vermeden. Er zijn veel gedichten over de Joodse vader en geen enkele over de Joodse moeder. De shoah is natuurlijk niet helemaal afwezig, maar het is duidelijk dat Wijnberg juist andere aspecten van het Jodendom wilde benadrukken. Eén van de gedichten heet ‘Zelfs Celan heeft iets met de geschiedenis van de Joden te maken, tenminste, als hij Mandelstam vertaalt.’ (Celan was de Joodse dichter van de Shoah, Mandelstam overleed in 1938.)

Dat innemen van al die verschillende gezichtspunten, zie je weerspiegeld in de pronomina. Ze komen allemaal voor, en allemaal verwijzen ze naar Joden, alsof iedereen een Jood kan zijn. En dat is ook zo, in deze zoektocht naar de identiteit. Zoals in deze gedichten ook iedereen de Messias kan zijn.

Het is enkel oneerlijk geluk
dat ik als Jood geboren ben

Waar we toch van beschuldigd worden
er tenminste de eer van opeisen,
zoals dat het de Joden zijn
die als iemand zei dat hij de zoon was van wie, op een dag, dit alles zou zijn,

hem in een boom zouden willen hangen
als een versiering die beschamend is,

Ik weet niet of mijn vader één gedicht
van Yehuda Amichai (de enige dichter
tegen wie ik zei: ik wilde u enkel een hand geven) gelezen heeft,

(…) zo kan ik met de Messias zijn. Als ik nu met jou spreek,
wanneer moet ik dan met een ander spreken?

Als iemand zegt dat hij weet wie de Messias is
moeten jullie Joden hem zo ver mogelijk wegsturen

Dan is er nog één, misschien de laatste
die nog een week zegt dat hij de Messias is
omdat hij denkt dat hij de laatste Jood is.

Judith zegt dat zij een foto heeft,
al weet zij nu niet waar zij die kan vinden,
waarop zij met mijn vader staat
toen ze meteen na de oorlog in een Hebreeuws klasje zaten

De Joden in Egypte
kregen meer en meer kinderen
omdat ze niet wisten dat zij in ballingschap waren,

Precies dat gebruik van al die verschillende manieren om te verwijzen legt er de nadruk op dat het er eigenlijk niet toe doet met welk woord je verwijst. Er is geen verschil tussen eerste, tweede, en derde persoon, tussen spreker, aangesprokene en buitenstaander. Die laatste rol is natuurlijk een traditionele die aan Joden wordt toegeschreven: mensen die Anders zijn.

Het is een effect dat apostrofe vaak heeft in gedichten: doordat de gebruikelijke rolverdeling tussen eerste en tweede persoon wordt doorbroken (de échte tweede persoon is de lezer, maar die kan alleen een toeschouwer zijn). In Joodse gedichten wordt dat principe opgerekt, door alle andere persoonlijk voornaamwoorden mee te laten doen.

De lezer raakt daardoor een buitenstaander – een effect dat gedichten van Wijnberg toch al vaak, moedwillig, hebben, door het eigenzinnige kenmerk dat ze tegelijkertijd glashelder en moeilijk te begrijpen zijn. In dit geval maakt het weinig uit of de lezer nu Joods is of niet: in de Joodse gedichten bekijkt hij het Jodendom tegelijk vanbinnen en vanbuiten. En dat lijkt me hier precies het punt.