Wanshishibiao

Door Yves T’Sjoen

Een van de meest geciteerde uitspraken over het leren komt van de Chinese wijsgeer en politicus Confucius. Naar verluidt liet de geroemde mentor, leraar der leraren, zich vijf eeuwen voor Christus ontvallen:  “Wie oude kennis koestert en voortdurend nieuwe vergaart, mag een leraar van anderen zijn”. Het edele beroep van leerkracht is niet uitsluitend gericht op overdracht van kennis en het verwerven van vaardigheden. Het onderwijs is er idealiter op gericht dat uiteindelijk de leerling de leerkracht in nieuwsgierigheid overvleugelt en de kennis van de docent met nieuwe inzichten verrijkt. Op die manier leert de leraar van de student. Zo heb ik het altijd onthouden. Aan de vooravond van het nieuwe school- en academisch jaar in België tracht ik die behartigenswaardige woorden door te geven aan de studenten. 

Een excellente opleiding voor aspirant-leerkrachten is niet alleen van fundamenteel belang voor het onderwijs zelf. Naast pedagogische kwaliteiten wordt de leerkracht maatschappelijke, psychologische, filosofische en kritische inzichten bijgebracht. Hij of zij zal ze delen met de leerlingen. Hij en zij hebben een functie op het gebied van taalvaardigheid (lees-, schrijf- en luistervaardigheden). Wanneer de docent-in-opleiding zelf over onvoldoende taalbeheersing beschikt, niet meertalig is, worden leerlingen onvoldoende klaargemaakt voor hogere studies, voor de professionele wereld. De educatieve bagage waarover een studiebegeleider dient te beschikken, is eindeloos. Naast opvoedkundige is hij of zij taalleerkracht, filosoof en psycholoog, een communicatiedeskundige, soms crisismanager en te veel een administrator. Een opleiding voor het beroep van leerkracht is een stevige uitdaging. Het onderwijs heeft nood aan gedreven onderwijzers die “oude kennis” doorgeven en open staan voor de inzichten van hun weetgierige en kritische jonge leerlingen. Idealiter willen wij allen Wanshishibiao’s in het lager en middelbaar onderwijs, aan hogescholen en universiteiten.

Al langer knelt het schoentje. Of beter: voor bepaalde studierichtingen, niet alleen de talen, is het beroep van leerkracht een knelpuntberoep. Voor scholen is het ieder jaar harken, bijvoorbeeld wanneer een interimaris moet worden gezocht. De overheid kan maar beter investeren in hoogstaande opleidingen. Opleidingen hebben veel geïnvesteerd in de totstandkoming van een volwaardige masteropleiding voor leerkrachten. De studenten en dus de studieleiders van morgen zijn gebaat bij een gedegen opleiding waarin naast vakinhoudelijke kennisvakken ook practica (op schooltaken gericht) een fundamenteel bestanddeel zijn.

Een goed uitgebalanceerd curriculum moet de student klaarstomen voor een baan in het secundair onderwijs. De gemeenschap heeft nood aan gedreven en bevlogen leerkrachten met gedegen basiskennis (niet alleen spelling en grammatica), kritisch vernuft en praktische vaardigheden. Zij zullen de jongeren van vandaag in een vakgebied (een schoolvak) begeleiden. Het beroep van leerkracht Nederlands is vandaag moeizamer in te vullen dan pakweg tien of twintig jaar geleden. Er zijn natuurlijk minder studenten talen. Tien jaar geleden waren dat er voor Nederlands aan de UGent nog circa 150, in mijn studententijd driehonderd. De teller stond vorige donderdag (drie weken voor het beëindigen van de inschrijvingen) op dertig. Ik maak mij sterk dat er vele late inschrijvers zijn en we toch weer met de eerste-generatiestudenten het aantal van de voorbije jaren halen (circa honderd). Zo niet voltrekt zich stilaan een Nederlands scenario aan Vlaamse universiteiten.

Ondanks de inspanningen van collega’s taal- en letterkunde en toegepaste taalkunde, de tijdsinvestering van clustercoördinatoren en curriculumbeheerders, hebben voor de Edumaster Nederlands afgelopen academiejaar een heel beperkt aantal studenten aangemeld. Voor bepaalde opleidingsonderdelen registreerden welgeteld twee studenten. Ik weet niet hoe de situatie is aan zusterinstellingen, maar ik ben geschrokken van dat aantal. We kunnen de bedroevende instroom betreuren, omdat ze een wissel trekt op de toekomst van het schoolvak Nederlands. Zinvoller is te peilen naar oorzaken en vervolgens te zoeken naar remedies. Dat het opleidingsaanbod kritisch moet worden geëvalueerd, is evident. Er zijn vakken die louter eclectisch zijn opgebouwd: zes colleges vak A en zes colleges vak B. Studenten moeten dan het Nederlandstalige poëzieoverzicht tot het interbellum kennen en de geschiedenis van het proza vanaf de Tweede Wereldoorlog. De poëzie van Hugo Claus, Lucebert, Gerrit Kouwenaar of Leonard Nolens blijft voor hen een mysterie. Je kunt van deze studenten niet verwachten dat zij met het masterdiploma op zak grondige kennis van de naoorlogse poëzie aan hun leerlingen doorgeven. Over studieresultaten zeg ik verder niets, maar dat het beter kan is wel duidelijk.

Een en ander baart zorgen. Het is de verantwoordelijkheid van de universitair docenten die participeren in een educatieve master, niet uitsluitend de beleidsverantwoordelijken, na één academiejaar Edumaster de opleidingsarchitectuur te evalueren. De opleiding kan attractiever. Alles kan altijd beter. Niet alleen de uitspraak van Confucius dient hierbij als leidraad. Ook wat C. Buddingh’ zou hebben gezegd, de dichter die onze Edumasters niet hebben gelezen dus: “de beste leraar is hij (zij), die het meest van zijn leerlingen opsteekt”. 

Een kritische bevraging van de studenten, hun verwachtingen omtrent de opleiding en een doorlichting van het cursusaanbod kan de docenten inderdaad wijzer maken. Een goed startpunt voor een reflectie over het schoolvak Nederlands is wat we daarmee vanuit universitair oogpunt beogen vandaag, hoe we kennisoverdracht en vaardigheidsonderwijs opvatten, welke de maatschappelijke relevantie is van het beroep van leerkracht Nederlands in een multiculturele en veeltalige wereld. De wereld van de klas. Worden toekomstige leerkrachten voldoende gewapend voor een uitdagende meervoudige taak op school? Zijn de vaardigheden die de studenten aangereikt krijgen wel (nog) van toepassing voor een klas in Vlaanderen? Moeten hogescholen en universiteiten in het klaarstomen van leerkrachten niet méér uitgaan van de dagelijkse werkelijkheid, zoals het religieus, etnisch en cultureel gediversifieerde maatschappelijk veld of de uiteenlopende taalverwervingsniveaus, en niét van de soms verjaarde didactische structuren en pedagogische verwachtingen? Is een dialoog tussen middelbaar en hoger onderwijs geen noodzaak om gezamenlijk na te denken over (de uitdagingen van) het beroep van leerkracht? Vragen die zonder twijfel al eerder zijn gesteld, maar die relevant blijven om bestaande studieprogramma’s hier en daar bij te werken in functie van mogelijkheden en verwachtingen. Niet alleen universiteiten (academici, vakdidactici), ook scholen én de toekomstige leerkrachten worden uitgenodigd hierover met zijn allen na te denken. Het academisch aanbod voor de opleiding leerkracht Nederlands kan met de inbreng van vele actoren spannender, relevanter, eigentijdser. Hiermee is alvast een ambitie voor het komend academiejaar geformuleerd.