Top 40 van de Gouden Eeuw – 32a

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Het vinnige stralen van de zon

Deze melodie is bekend geworden door het lied dat Pieter Cornelisz. Hooft erop schreef als opening van zijn spel Granida (1605). Hier, in de uitgave in de Emblemata amatoria van 1611, heet deze nog ‘Het soud’ een Maysjen ter hayde gaen’, maar bij latere uitgaven volstond ‘Alst begint’. De levendige melodie heeft iets ondeugends, zoekends, wijfelends, je kunt de vraagtekens als het ware horen. In de liedtekst van Hooft wordt de herderin Dorilea achtervolgd door de herder Daifilo in de hoop haar liefde te verwerven. Dorilea twijfelt of ze zich zal verstoppen. Herders zijn immers onbetrouwbaar, maar deze is misschien oprecht. Zal ze het wagen?

Sang. Wyse: Het soud’ een Maysjen ter hayde gaen, &c.

3. Een wullepsch knaepjen altijt stuyrt
Nae nieuwe lust zijn sinnen;
Niet langer als het weygeren duyrt,
Niet langher duyrt het minnen.

4. Mijn hartje treckt my wel soo seer
Soo seer dorst ick het waghen.
Maer neen ick waegh het nemmermeer,
Haer minnen zijn maer vlaghen.

5. Maer vlaghen die t’hans overgaen,
En op een ander vallen.
Nochtans ick sie mijn Vryer aen
Voor trouste van haer allen.

6. Maer oft u miste, domme maecht,
Ghy siet hem niet van binnen.
Dan’t schijnt wel, die gheen rust en waecht,
Kan qualijck lust ghewinnen.

7. Of ick hem oock lichtveerdich von
En’t bleef in dit bosschagie?
Indien dit bosje klappen kon
Wat melden’t al boelagie?

                        P.C. Hooft

klappenpraten
haar minnenhun verliefdheden (van de herders)
t’hansheel snel
of ’t u mistestel dat je je vergiste (in zijn trouw)!
of […] vonmaar als ik nou merkte dat hij lichtzinnig was
boelagievrijerij

Tekst uit: P.C. Hooft, Emblemata amatoria, 1611, p. 88. https://www.dbnl.org/arch/hoof001embl02_01/pag/hoof001embl02_01.pdf (pdf p.88)
Melodie uit: AMSTERDAMSCHE PEGASUS Waer in (uyt lust) by een vergadert zijn veel Minnelijcke […] Amsterdam: C.W. Blaeu-laken, 1627, p. 137. https://objects.library.uu.nl/reader/index.php?obj=1874-34176