Taalvariatie in televisie voor kinderen

door Reglindis De Ridder

Grootschalige studies over het televisieaanbod voor kinderen wereldwijd tonen aan dat dit aanbod vooral uit fictie bestaat die vaak geïmporteerd wordt uit het buitenland (Götz et a. 2018). Dit betekent meestal dat die programma’s eerst vertaald en nagesynchroniseerd moeten worden.

Hoewel er de laatste jaren veel onderzoek gedaan wordt naar diversiteit in kindertelevisie blijft onderzoek naar het taalgebruik in zulke televisieprogramma’s beperkt. Ook wat het taalgebruik betreft, zouden televisieprogramma’s voor kinderen, zeker wanneer die vertaald worden, immers meer diversiteit aan de dag kunnen leggen. Zo zouden personages een andere (standaard)taalvariëteit kunnen spreken of een buitenlands accent kunnen hebben.

Vaak worden volwassen (stem)acteurs ingehuurd om de teksten in de standaardtaal in te spreken. Toch horen we de laatste jaren ook erg jonge kinderen, die bijvoorbeeld niet altijd even duidelijk articuleren, rollen vertolken. Ook is er in recentere Britse en Ierse tekenfilmseries meer taalvariatie te horen dan vroeger. In Hey Duggee bijvoorbeeld wordt onder andere een niet-standaardtalige uitspraak van het Britse Engels gebruikt. Een Iers Engels accent is dan weer te horen in de Ierse serie Puffin Rock en in de Britse serie Bing heeft ook een van de personages een Iers accent gekregen. Een ander personage in die reeks spreekt met een licht Afrikaans accent. Bovendien maakt het hoofdpersonage Bing geregeld typische taalfouten die kinderen ook maken (De Ridder 2019). Zulke linguïstische diversiteit gaat helaas vaak verloren tijdens het vertaalproces. De taal die in dubbing voor kinderen gebruikt wordt, is namelijk in principe ‘de’ standaardtaalvariëteit.

Nederland en België namen deel aan een onderzoek naar kindertelevisie in 2007 (Götz et a. 2007a/b). Uit de resultaten van dit onderzoek bleek dat slechts 7% van het onderzochte Nederlandse televisieaanbod voor kinderen toen uit lokale producties bestond (Götz et a. 2007b:6). Het grootste deel werd dus ingekocht uit het buitenland, voornamelijk uit de VS en Canada. Hoewel in België ook veel Nederlandstalige fictie geproduceerd wordt, wordt die zelden in Nederland uitgezonden: slechts 3% van de kinderfictie kwam uit België (idem). Met 40% lokale producties in het onderzochte televisieaanbod scoorde België daarentegen bijna het hoogst in Europa wat het lokale aanbod betreft (Götz et a. 2007a:6). Dit komt voornamelijk door de grote vertegenwoordiging van de Ketnetprogramma’s van de openbare omroep in de steekproef. In een vervolgstudie uit 2017 bestond zelfs 49% van het geanalyseerde Ketnetaanbod uit lokale producties en coproducties (Götz e.a. 2017:7). De commerciële zenders zenden dan weer voornamelijk buitenlandse producties uit. In dezelfde analyse van Belgische kindertelevisie bedroeg het percentage lokale producties bij de commerciële zenders amper 5,5% (idem). Wat de geïmporteerde producties betreft, zaten in de Belgische steekproef vooral programma’s uit Europa, bv. 11% uit Frankrijk en 9% uit Nederland (idem). In België worden dus meer programma’s uit Nederland geïmporteerd dan omgekeerd.

Grote commerciële animatiefilms worden sinds de jaren 1990 in principe zowel voor de Belgische en Nederlandse markt afzonderlijk nagesynchroniseerd. Toch zijn er ook films waarvan slechts één gedubde versie beschikbaar is voor de hele Nederlandstalige markt. In deze versie bestaat de cast vaak voornamelijk uit Nederlandse stemacteurs en worden Belgische stemacteurs ingehuurd om de rol van hooguit een of twee personages in te spreken. Dit gebeurde bijvoorbeeld in de Duitse televisiefilms uit de ‘De mooiste sprookjes’-reeks, die zowel door de Nederlandse als de Vlaamse openbare omroep uitgezonden worden. Maar ook in bioscoopfilms zoals Janneman Robinson & Poeh werden zulke hybride casts gebruikt. Een aantal tekenfilmseries wordt ook afzonderlijk gedubd voor de Belgische en Nederlandse markt. Bing bijvoorbeeld heeft een Nederlandse versie met Nederlandse stemacteurs en een versie met Belgische stemacteurs voor de Belgische markt. In zulke gedubde televisieseries wordt evenwel zelden bewust gespeeld met verschillende regionale taalvariëteiten zoals dat in bioscoopfilms wel eens het geval is. In de Bing-versie voor de Belgische markt wordt bijvoorbeeld voornamelijk de Belgische standaardtaalvariëteit gebruikt en hoort men hier en daar een Belgisch-Nederlands woord als “slaapwel” of de uitroep “eikes!” wat in de Nederlands-Nederlandse versie “jakkie!” wordt.

In pluricentrische taalgebieden klagen ouders uit het niet-dominante deel van het taalgebied wel eens dat hun kinderen voornamelijk aan de dominante variëteit worden blootgesteld in televisieprogramma’s. Ook Nederlandstalige Belgen doen dat soms. Om een beter idee te krijgen van de verhouding tussen programma’s in het Belgisch-Nederlands en het Nederlands-Nederlands werden daarom in de zomer van 2019 meer dan 300 kinderprogramma’s geanalyseerd. Hierbij lag de nadruk op de grootste zenders Ketnet van de openbare omroep en VTM Kids, maar ook 70 programma’s van Disney en Nickelodeon werden geanalyseerd. Deze internationale kinderzenders zenden bijna uitsluitend geïmporteerde en vertaalde programma’s uit in zowel België als Nederland. Dit staat in schril contrast met de kinderprogramma’s van VRT en VTM, die voor ongeveer de helft uit lokale producties of coproducties bestonden. In het geanalyseerde televisieaanbod wordt Belgisch-Nederlands gebruikt of er worden Nederlands-Nederlandse programma’s en vertalingen uit Nederland overgenomen. Soms zijn in programma’s ook (stem)acteurs uit beide landen te horen.

Uit de resultaten van de analyse blijkt dat het percentage programma’s waarin voornamelijk Belgisch-Nederlands gebruikt wordt, verschilt van zender tot zender. Ook is er vaak een verschil tussen het taalgebruik in lokale en vertaalde producties. Over het algemeen was in de programma’s van zowel VRT als VTM voornamelijk de Belgische variëteit van het Nederlands te horen. Een belangrijke rol hierbij speelt het feit dat ongeveer de helft van die programma’s uit lokale producties en coproducties bestond. In zulke producties wordt namelijk in principe enkel Belgisch-Nederlands gebruikt. In 73% van de onderzochte Ketnetprogramma’s was enkel de Belgisch-Nederlandse variëteit te horen. Bij VTM bedroeg dit percentage 58%. Nederlands-Nederlands was te horen in 19% van de onderzochte VTM-programma’s en bij VRT bedroeg dit percentage 13%. Tot slot was in 14% van de VRT-programma’s zowel Belgisch-Nederlands als Nederlands-Nederlands te horen. In het onderzochte aanbod van VTM lag dit percentage hoger: 23%.

De verschillen tussen beide zenders treden echter vooral op wanneer we inzoomen op de vertaalde programma’s. Zo bleek dat in 37% van het vertaalde VTM-aanbod enkel de Belgisch-Nederlandse variëteit gebruikt werd. Dit percentage was bijna dubbel zo hoog in de geanalyseerde vertaalde programma’s die door VRT werden uitgezonden, namelijk 66%. In 18% van de vertaalde programma’s op Ketnet werd zowel Belgisch-Nederlands als Nederlands-Nederlands gebruikt. In de overige 16% van de vertaalde Ketnetprogramma’s was enkel Nederlands-Nederlands te horen. In het kinderaanbod van VTM bedroeg dit percentage 33%. Het valt dus op dat er meer Nederlands-Nederlandse vertalingen uitgezonden werden door VTM. Bij VTM werd in 30% van de vertalingen een combinatie van beide nationale variëteiten gebruikt. In het onderzochte aanbod van Nickelodeon en Disney wordt veel minder Belgisch-Nederlands gebruikt. Ook hier worden wel eens nagesynchroniseerde versies met stemacteurs uit beide landen uitgezonden. In Miraculous bijvoorbeeld wordt één van de hoofdpersonages door een Belgische stemacteur vertolkt. Maar programma’s waarin uitsluitend Belgisch-Nederlands te horen was, kwamen eigenlijk niet voor. Een uitzondering is de serie Pyjamahelden. Hierin zijn enkel Belgische stemacteurs te horen en Disney zendt deze Nederlandse versie van hun succesreeks PJ Masks zowel in België als in Nederland uit. Verder zaten er bijna evenveel programma’s in het geanalyseerde aanbod van Disney waarin uitsluitend Nederlands-Nederlands te horen is (52%) als programma’s waarin beide variëteiten gebruikt worden (45%). Bij Nickelodeon was beduidend meer Nederlands-Nederlands te horen in het onderzochte aanbod. In 76% van de programma’s werd enkel Nederlands-Nederlands en in 24% werden beide taalvariëteiten gebruikt.

Deze analyse toont aan dat kinderen over het algemeen voornamelijk aan hun eigen taalvariëteit blootgesteld worden op televisie in België. Dit is zeker het geval in het aanbod van de grote lokale televisiezenders die ook de grootste marktwaarde hebben. Bij de commerciële internationale zenders is dit minder het geval. Vroeger zonden die in het hele taalgebied de Nederlands-Nederlandse versie uit. Nu zijn er ook programma’s waarin beide variëteiten van het Nederlands te horen zijn. Aangezien er op die manier slechts geïnvesteerd hoeft te worden in één nagesynchroniseerde versie is dit in economisch opzicht interessant voor de productiehuizen. Maar op die manier krijgen kinderen in beide delen van het taalgebied ook elkaars variëteiten te horen. Zo leren ze dat hun taal ook in andere landen gesproken wordt en daar anders klinkt. In België worden kinderen op televisie nog steeds geregeld blootgesteld aan de Nederlands-Nederlandse variëteit, maar omgekeerd is dit in Nederland veel minder het geval. Toch is het zo dat in die hybride versies vaak een “landneutraal Nederlands” gebruikt wordt en dus enkel de accenten verklappen uit welk deel van het taalgebied de stemacteurs komen. Het gebeurt wel vaker dat Belgisch- en (soms ook) Nederlands-Nederlandse woorden en uitdrukkingen uit teksten die voor het hele taalgebied bestemd zijn verwijderd worden om ze zo “landneutraal” te maken. Op die manier wordt de lexicale variatie geneutraliseerd en bestaat ook het risico dat de teksten daardoor sterieler worden. Onderzoek heeft aangetoond dat er nood is aan meer diversiteit en een beter genderevenwicht in kindertelevisie. Ook de taalkundige diversiteit in vertaalde en niet-vertaalde kinderprogramma’s is belangrijk en moet dus verder bestudeerd worden, niet alleen in het analoge en digitale televisieaanbod maar ook in het aanbod van video-on-demandplatforms als Netflix.    

Referenties

De Ridder, R. 2019. ‘Het is verruktelijk’. Hoe audiovisuele vertalers het heft in eigen handen kunnen nemen. Filter. Tijdschrift over Vertalen. 2019(4), pp.21-28.

De Ridder, R. (te verschijnen). Linguistic diversity in audiovisual media for children in Belgium and Austria. IN: Muhr, R. and Thomas, J. (eds.) Pluricentric Theory beyond Dominance and Non-dominance. PCL-PRESS. Graz/Berlin pp. 133-148.

Götz, M. et a. 2007a. Children’s television worldwide. Gender representation in Belgium. München: International Central Institute for Youth and Educational Television.

Götz, M. et a. 2007b. Children’s television worldwide. Gender representation in the Netherlands. München: International Central Institute for Youth and Educational Television.

Götz, M. et a. 2008. ‘Gender in children’s television worldwide. Results from a media analysis in 24 countries’. Televizion, 21, p. 4–9.

Götz, M. et a. 2017. Children’s television worldwide II. Gender representation in Belgium. München: International Central Institute for Youth and Educational Television.

Götz, M. et a. 2018. ‘Whose story is being told? Results of an analysis of children’s tv in 8 countries’, Televizion, 31, p. 61–65.

Voor deze bijdrage heeft de auteur een onderdeel van haar publicatie “Linguistic diversity in audiovisual media for children in Belgium and Austria” herwerkt. Deze publicatie verschijnt later dit jaar in het boek Pluricentric Theory beyond Dominance and Non-dominance geredigeerd door Rudolf Muhr en Juan A. Thomas.

Afbeelding van Vidmir Raic via Pixabay