Sporen

Wonen in gedichten (17)

Door Judit Gera
Dit gedicht is bedoeld voor gevorderden
en hoort in de categorie Het leven van alledag

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: een gedicht van Paul Demets.

Zijn liefde is zijn woede. De zon maakt zich uit de voeten.
Zo snel dat het in oktober donker wordt. Hij hamert
als een specht op wat woorden. Vergeefs heeft hij
bij haar aangeklopt. Zij is uit het hardste hout gesneden.

Heet aanrecht glanst. Ik hoop op ander licht dan dit tl
waaronder hij me onderzoekt. Zijn ogen: zwarte gaten.
Het huis is een bolster. Hij snijdt nog liever in eigen vel
en wil hem open. Dan rolt het binnenste op tafel.

Hij pielt. Hij verdraagt de gladheid niet, hoe het hem
ontglipt. Hij blijft besloten over de grond waarop wij
verschillen. Een knoop in zijn zakdoek. De melk stremt.
Hoe goed kent hij het klappen van de zweep. Het gaat waaien

morgen. De lucht toont zijn striemen.

Uit: Klaverknoop, 2018

Paul Demets (1966), Vlaams dichter, essayist debuteerde met de bundel De papegaaienziekte in 1999. De bundel werd met de Prijs van de Provincie Oost-Vlaanderen bekroond. In 2011 publiceerde hij zijn bundel De bloedplek. Hiermee won hij de prestigieuze Herman de Coninckprijs. Begin mei 2015 kreeg Demets een hartinfarct gevolgd door een hartstilstand. Hij is poëzierecensent van onder andere De morgen en De standaard. Daarnaast is hij docent aan de KASK & Conservatorium School of Arts Gent. Sinds 2016 is hij Plattelandsdichter van Oost-Vlaanderen.

            Klaverknoop is de eerste bundel na zijn traumatische hartinfarct. Hierin gaat hij, afgaande op wat er op de flaptekst van de bundel staat, op zoek naar identiteit. Vooral naar hoe identiteit door onze relaties met onze ouders, onze geliefde, onze kinderen en de samenleving bepaald wordt. Vandaar wellicht het woord ‘knoop’ in de titel. De mens is met een netwerk van mensen en waarden verknoopt. Je hebt het niet altijd voor het kiezen in het leven, veel ligt vast door je plaats in de wereld. De mens heeft verschillende rollen te spelen. Een klaverblad symboliseert de afzonderlijke sociale ruimtes waarin hij zich beweegt. De kwaliteit van het leven wordt daarbij bovendien door toeval bepaald. Je moet geluk hebben, wil de titel ‘Klaverknoop’ misschien zeggen. Waarin klaver als geluksbloem, denk aan het klavertje vier, op de achtergrond meeklinkt.

            De gedichten in de bundel zijn in afdelingen ingedeeld. Dit gedicht maakt deel uit van de afdeling ‘Ouderhuis’. De lezer veronderstelt dat de gedichten die hierin opgenomen zijn over de relatie van een ik tot zijn ouders gaan.

            Het valt op dat het gedicht grotendeels uit eenvoudige korte zinnen bestaat. De woordenschat is alledaags en eenvoudig. Op het eerste gezicht lijkt het gedicht makkelijk te lezen. Toch is het in een sluier van onduidelijkheden gehuld. De discrepantie tussen het ogenschijnlijk eenvoudige woordgebruik en de ongebruikelijke zinssamenhang zorgt voor een geheimzinnige werking: bekende zaken komen de lezer in de nieuwe context als vreemd en onbekend voor.

            Het gedicht bestaat uit drie kwartetten en een weesregel. Telkens weer worden de versregels in de strofen gebroken. Nu eens zijn de zinnen korter dan de versregels, dan weer zijn ze langer. Elke strofe begint met een verhoudingsgewijs korte zin. Men zou kunnen zeggen: dit is een fenomenologische beschrijving van wat het ik waarneemt en daarbij voelt.

            Centraal staat een ‘hij’, dat door het lyrische ik beschreven wordt. Dat ‘hij’ zou een vaderfiguur, de vader van het ik, kunnen zijn. De eerste zin geeft aan dat het om een enigszins agressieve vaderfiguur gaat: ‘Zijn liefde is zijn woede.’ De betekenis is niet meteen duidelijk. Misschien betekent deze zin dat de vader van zijn eigen woede houdt. Een vader kan ook boos worden uit liefde voor zijn kind. Zijn boosheid is in wezen lief bedoeld. Hij mist in elk geval de tederheid die in de meeste gevallen met de liefde gepaard gaat. De tweede zin is niet minder geheimzinnig: ‘De zon maakt zich uit de voeten.’ Is er een samenhang tussen de eerste en de tweede zin? Misschien deze: de woede van de vaderfiguur is zodanig dat zelfs de zon (als symbool voor licht en lucht) ervoor wegloopt. De zon wordt gepersonifiëerd: hij maakt zich uit de voeten, hij gaat weg. Zon en zoon verschillen maar in één o-klank en dat doet denken aan de vader-zoonrelatie die hier in het geding is. De derde zin zegt iets over de mate waarin dit gebeurt: ‘Zo snel dat het in oktober donker wordt.’ Oktober behoort tot de vroege herfst wanneer het nog best lang licht is. Maar de woede van de vaderfiguur verdrijft het licht snel.

            Aan het eind van de tweede regel staat een enjambement: ‘Hij hamert/ als een specht op wat woorden.’ De vader wordt met een specht vergeleken: zoals een specht op de korst van bomen hamert, hamert de hij-figuur op woorden. Een specht heeft ook iets van een dokter in zich: zijn kloppen op de bomen lijkt op het kloppen van een dokter op de borstkas van een zieke. Vergeefs klopt hij aan, het hout is te hard. Heeft hij misschien iets goed te maken? ‘Op iets hameren’ betekent ‘iets voortdurend benadrukken’. De zin kan dan betekenen dat de vader zijn woorden herhaalt. Hij wil zijn gelijk halen.

            Aan het eind van de derde regel staat weer een enjambement: ‘Vergeefs heeft hij/bij haar aangeklopt.’ Er komt een vrouwenfiguur, misschien de moeder, in beeld bij wie de woedende, stugge vader tevergeefs aanklopt. De toegang is versperd – misschien heeft de moeder genoeg van de woede en halsstarrigheid van haar man. Van haar wordt nog in de laatste zin van de eerste strofe gezegd: ‘Ze is uit het hardste hout gesneden.’ De zegswijze ‘uit het goede hout gesneden zijn’ betekent dat iemand een goed karakter heeft. Zowel moeder als vader lijken eigenzinnig te zijn. De moeder laat zich niet terroriseren door haar woedende man. Bij haar vindt hij geen gehoor. Opvallend en veelzeggend is de parallel tussen vader – specht en moeder – hout. Kan deze relatie nog genezen worden?

            De tweede strofe begint met de korte, vaststellende zin: ‘Het aanrecht glanst.’ Bevinden we ons in een keuken? Getuigt het glanzende aanrecht van een zorgvuldige, ijverige huisvrouw? Dat past niet zo goed bij het beeld van de vrouw uit de eerste strofe. Is misschien dit glanzen een surrogaat voor het verdwenen licht uit de eerste strofe? De volgende zinnen geven uitleg. Er komt weer een enjambement: ‘Ik hoop op ander licht dan dit tl/waaronder hij me onderzoekt.’ Er is hier sprake van een kunstmatig licht in tegenstelling tot het verdwijnende natuurlicht in de eerste strofe. Het ik verlangt kennelijk naar de laatste. De sfeer van een doktersonderzoek (denk aan de specht) komt hier weer terug. Het ik ondergaat een medisch onderzoek – een operatie? De reeks aanrecht, tl, snijden en tafel brengt de lezer in een andere omgeving. Een dokter die je leven redt, is als het ware een vaderfiguur. Er blijkt tl-licht boven een operatietafel te hangen. Het aanrecht is geen onderdeel van een gewone keuken maar van de operatiezaal. Voor het ik lijken de ogen van de opererende arts ‘zwarte gaten’. Volkomen begrijpelijk als het licht in het oog van de geopereerde valt. De derde regel van de tweede strofe is een onvolledige: ‘Het huis een bolster.’ Bolster vormt een deel van de reeks specht die bomen ‘opereert’, hout en huis. De associatie met het gezegde ‘ruwe bolster, blanke pit’ biedt zich aan. Is er werkelijk sprake van een ruwe buitenkant en een zachte kern?  Is die vader/dokter iemand die op het eerste gezicht op een ruw iemand lijkt, maar in werkelijkheid een warm hart heeft? Het huis zou een bolster moeten zijn, een plaats van bescherming en veilig toeven. Maar hoe vaak is dit niet schone schijn?

                Na de onvolledige zin komt opnieuw een enjambement: ‘Hij snijdt nog liever in eigen vel/en wil hem open.’ Een vader zegt weleens: ik snijd liever in mijn eigen lichaam dan je in gevaar (te laten) brengen. Het vel past weer in de reeks boom (woorden)- hout – huis: het zijn allemaal elementen die van buiten iets bedekken. Ze zijn ook grenzen tussen een levend organisme en de buitenwereld. De hij-figuur keert zijn agressie/operatienaald/mes tegen zichzelf zodanig dat zijn ‘binnenste op tafel’ rolt. Een surrealistisch, afschrikwekkend beeld. Misschien een schrikbeeld van het verdoofde ik tijdens of voor de operatie. Hij ziet misschien (in zijn verbeelding) zijn eigen hart uit zijn binnenste op de operatietafel glippen.

            De derde strofe begint eveneens met een kernachtig korte zin: ‘Hij pielt.’ Een operatie is werkelijk langzaam werken aan het lichaam van de zieke, het is een ‘pielen’. Het visionaire komt in de tweede tevens de langste, nevenschikkende zin van het gedicht terug. De hij-figuur worstelt met de gladheid van het hart, het glipt hem tussen de vingers weg. In de volgende zin duikt een ‘wij’ op. ‘Hij’ verschilt van het ‘ik’ en blijft besloten over de grond waarop dit verschil berust. Hij wil het verschil bewaren, hij wil niet met het ik versmelten. Zo’n verschil of anders gezegd een afstand heb je inderdaad nodig in zowel een vaderrol als een doktersrol. Vader/dokter moeten via het verschil met zoon/zieke (af)standhouden om hem te kunnen helpen of met hem een volwassen relatie aan te kunnen gaan. Hierna volgt weer een gebrekkige zin: ‘Een knoop in zijn zakdoek.’ Je knoopt je zakdoek als je iets niet wil vergeten. Moest er aan het verschil steeds weer herinnerd worden? Of is dit een gebeurtenis voor het ik die voorgoed in zijn zakdoek geknoopt blijft? We weten het niet. ‘De melk stremt’ wil het ogenblik van het stremmen vastleggen. Melk herinnert aan moedermelk, het begin van het leven. Het kan ook symbool staan voor de schoonheid en onschuld van de kindertijd. Maar de melk stremt – is dit het moment van een gehavende of verbroken relatie?  Wat tot nu toe vloeide, vloeit niet meer.

            In de vierde regel lijkt de woede van de hij-figuur (weer) op te duiken. Er is sprake van ‘het klappen van de zweep’ dat de hij-figuur goed kent. De uitdrukking ‘iemand kent het klappen van de zweep’ wil zeggen dat hij iets goed kan, omdat hij er ervaring mee heeft. Met een zweep worden/werden dieren en mensen geslagen om hem ergens toe te dwingen of op het goede pad te houden. Wordt hier het ik geslagen/besneden door de vader/dokter-figuur? De dramatische zin wordt laconiek weer door een enjambement gevolgd: ‘Het gaat waaien/ morgen.’ Een nietszeggende maar veel gebezigde zin brengt de lezer plotsklaps terug in de alledaagse werkelijkheid. Het onderstreept de alledaagsheid van de dramatiek die inherent is aan menselijke relaties. ‘De lucht toont zijn striemen.’ Om het even of dit de sporen van een agressieve vader of van ingrepen van een liefdevolle dokter zijn. Elk contact laat zijn sporen na.

            De vorm van het gedicht geeft het stokkende kloppen van het hart weer. De versregels zijn telkens onderbroken. Soms eindigt een zin aan het eind van een regel, soms zijn er enjambementen. Alledaagse uitingen worden door vervreemdende, dramatische zinnen afgewisseld en omgekeerd. De hij-figuur is kennelijk een dualiteit: hij is de vader en de dokter misschien wel gelijktijdig.

Afbeelding: Bernadette Wurzinger via Pixabay