Plaagstootjes en speldenprikken

Door J.L. Dijkhuis

De roman in de negentiende eeuw van Toos Streng, onlangs verschenen bij Verloren, biedt de ene verrassing na de andere. Daardoor is het uitermate onderhoudende lectuur, en dat de lezer zich daarbij niet zelden achter de oren krabt lijkt ingecalculeerd. 

Wie bij de titel De roman in de negentiende eeuw een systematisch overzicht verwacht van de zedekundige tot en met de naturalistische roman, begeleid door instemmend of ontstemd commentaar van contemporaine critici, komt bedrogen uit. Tussen openingshoofdstuk en slotbeschouwing werd een grote verscheidenheid aan artikelen samengebracht, waarin tot dusver niet of onvoldoend belichte onderwerpen uit de negentiende-eeuwse boekgeschiedenis aan de orde komen, zoals de fondssamenstelling van romanuitgevers, aan ‘roman’ verwante genreaanduidingen, de rol van vrouwelijke romanschrijvers. Dat bood de gelegenheid de ‘traditionele literatuurgeschiedschrijving’ te negeren, (p 18) en bij de behandeling van wat in de loop van de eeuw ‘gangbaar en wat denkbaar was’ (p 21) ‘niet ter discussie staande vanzelfsprekendheden’ onbesproken te laten, (p 22) met dien verstande dat deze ‘pas aan de oppervlakte [komen] wanneer ze worden aangevallen’. (p 55) Dat maakt nieuwsgierig. Wat waren die ‘vanzelfsprekendheden’ en hoe, indien toch discutabel, werden ze afgehandeld?  

Betwistbaar

Een ‘vanzelfsprekendheid’ die expliciete bestrijding waard blijkt te zijn is de aanname dat de negentiende-eeuwse Nederlander veelal Franstalige romans las. (p 93) Aangevoerd wordt dat Van Deyssel op zestienjarige leeftijd een roman van Zola nog niet aan kon, terwijl bij de lectuur van Franse romans een tekort aan kennis van bijvoorbeeld ‘uiteenlopende vormen van keukengerei’ en ‘sociale connotaties van de vele typen rijtuigen’ bij voorbaat als een te grote handicap zou zijn gezien. (p 94) Wel had, zoals een bladzij verder zonder commentaar wordt vermeld, in 1859 de leesbibliotheek van de Leidse gebroeders Van der Hoek, omschreven als ‘deftig’, alleen al van de in frivole lectuur gespecialiseerde romancier De Kock niet minder dan 51 livres français in voorraad. 

Als ‘vanzelfsprekendheid’ zonder meer verschijnt de conditio sine qua non dat de negentiende-eeuwse roman gunstig inwerkt op de deugdzaamheid van de lezer, ook al zou zulks door het opwekken van louter esthetische genietingen slechts ‘middellijk’ gebeuren. (p 229) Volgens Streng was in de tweede eeuwhelft echter ‘oprechtheid’ een ‘cruciale waarde in de romantheorie’. (p 253) Toen werd van de romancier ‘getrouwheid’ aan zijn ervaringen geëist, (p 200) zodat het als onoprecht gold om ‘individuele gedachten, gevoelens en morele oordelen’ te verbloemen. (p 224) Op ‘godsdienstig, politiek, wetenschappelijk of moreel gebied’ diende stelling te worden genomen, (p 231) de ‘geloofsrichting en het geslacht van de kunstenaar’ behoorde uit zijn werk naar voren te komen, (p 243) en, ter bevordering van het algemeen belang, moest bij het zich uitspreken over ‘kunst, wetenschap, politiek, moraal en godsdienst’ (p 254) bovendien blijk worden gegeven van een positieve, zelfs idealistische visie. (p 225) Aan deze de romancier opgelegde vorm van oprechtheid besteedt Streng opmerkelijk veel aandacht, al bleef het grote romanlezend publiek gedurende de hele eeuw eerst en vooral verzot op spannende liefdesgeschiedenissen, (p 59) en dat daarin de deugd werd beloond sprak vanzelf. 

Tachtig

In directe samenhang met de verlangde oprechtheid, zoals op p 229 wordt meegedeeld, zij het per voetnoot, blijkt ook de inhoud van het sinds Tachtig vertrouwde l’art pour l’art-begrip niet langer vanzelfsprekend. De zienswijze van de kunstenaar op bijvoorbeeld politiek of moreel gebied, inclusief diens opbouwende maatschappelijke missie, was daarmee zonder meer verenigbaar, tenminste, wanneer ‘het streven naar autonomie van de kunst’ als kern hiervan wordt aangemerkt. (p 229) Als contradictio in terminis lijkt daarmee naast het reguliere l’art pour l’art het l’art pour l’art-mits te zijn geïntroduceerd. 

Van de Tachtigers-leuzen wordt naast het l’art pour l’art alleen nog ‘kunst is passie’ aangestipt, dat wil zeggen: ‘hun opvatting van ‘passie’’, (p 241) maar de rigoureuze omslag in de status van de roman na Tachtig blijkt uit niet meer dan de mededeling dat pas aan het eind van de eeuw ‘Kunst en Literatuur essentialistisch [werden] gedefinieerd’. (p 375) Toen was zonder enig verband met Tachtig de lezer al geconfronteerd met bijvoorbeeld ‘Literatuur met een grote L, Kunst met een grote K’, (p 75) naturalistische auteurs, (p 76) aan het eind van de eeuw opduikende psychologische karakterromans, (p 59) en het uiteenvallen van het negentiende-eeuwse publiek in high, middle en low brow-lezers. (p 77) 

Die blikvernauwing tegenover de invloed van Tachtig moet echter niet worden gezien als het gevolg van een der niet ter discussie staande ‘vanzelfsprekendheden’, maar als ‘daad van historische rechtvaardigheid’. (p 22) Het tijdvak 1850-1875, hoewel op religieus, wetenschappelijk en politiek gebied een ‘keerpunt’, zou in literatuurbeschouwingen tot dusver onderbelicht zijn gebleven, (p 23) terwijl al na 1850 een begin was gemaakt met ‘het onderscheid tussen ‘literatuur’ en ‘lectuur’, naar ‘literatuur’ als kwaliteitskenmerk’. (p 254) 

Publiek

Komt Tachtig er bij Streng bekaaid af, in nauwelijks mindere mate geldt hetzelfde voor de modale negentiende-eeuwse lezer. De schrijfster erkent dat het negentiende-eeuwse romanlezend publiek voornamelijk moet hebben bestaan uit lezeressen, die immers ruim de tijd hadden om zich met diverterende lectuur onledig te houden, (p 147) maar een ‘vanzelfsprekendheid’ als deze blijft onbesproken. Naar enig verband met uitgeversbeleid, bijvoorbeeld, lijkt niet te zijn gezocht, de vrouwelijke oververtegenwoordiging leidt enkel tot terloopse opmerkingen, zoals dat halverwege de eerste eeuwhelft aan vrouwen werd voorgehouden ‘dat niet alleen romans […] geschikte lectuur voor hen’ waren. (p 149) 

Ook is het een evidente en dus te negeren ‘vanzelfsprekendheid’ dat ‘individuele lezers’ niet ‘uitsluitend werken lazen die het burgerlijke stempel van goedkeuring droegen’, al heeft  Streng daar nog wel een voetnoot voor over. (p 135) Maar alleen bij uitzondering wordt verwezen naar wat het grote publiek dan wél aan laakbaar geachte lectuur beliefde, zoals de ‘in burgerlijke kringen stiekem gelezen’, maar door ‘de toonaangevende critici’ verafschuwde romans van Nederlands meest gedrukte auteur Jan de Vries, van wie tussen 1790 en 1899 108 titels verschenen. (p 105) Een genre als de sensatieroman, bijvoorbeeld, komt niet ter sprake, al staan met respectievelijk 64, 45, 44 en 36 (her)drukken de in dat genre excellerende Miss Braddon, Ouida, G.P.R. James en Wilkie Collins in de top-tien van meest vertaalde Engelse schrijvers tussen 1837 en 1899. (Database, p 414) 

Allesbehalve vanzelfsprekend, overigens, is dat in De roman in de negentiende eeuw voor een aan avontuurlijke liefdesromannetjes verslingerd publiek zelfs eigentijds dedain doorschemert. Niet minder dan 54 romans van de Duitse auteur Lafontaine werden tussen 1796 en 1824 vertaald, met titels als Eduard of het gemaskerd bal, Albertina of de proef der mannen, De bekentenis aan het graf, maar, zo wordt gesteld, in deze periode waren slechts weinig romans boeiend genoeg voor althans ‘de geschoolde lezer’. (p 153) De in Buismans Populaire prozaschrijvers van 1600 tot 1815 apart opgenomen lijst ‘Ridder-, Rover-, en Verschrikkingsromans tot 1900’, begonnen bij 1818, telt 194 nummers, maar na het noemen van deze categorie, samen met de ‘gothic novel’, is het commentaar dat de louter verstrooiing zoekende lezer zich hierbij door het verhaal te zeer liet meeslepen om te kunnen komen tot een ‘goede beoordeling van de waarde van de inhoud’. (p 167) 

Tegenwicht

Tot zover de gesignaleerde ‘vanzelfsprekendheden’ in De roman in de negentiende eeuw, waarin voor het overige keer op keer standpunten, hypotheses en ontwikkelingen cijfermatig zijn onderbouwd, periodiseringen niet zelden tot op het jaar exact worden aangegeven, en tot dusver in soortgelijke lectuur ongebruikelijke termen opduiken als ‘dekkingsgraad’ en ‘correctiemechanisme’, waarbij kon worden verwezen naar de 47 tabellen en 11 grafieken rijke Streng Database. (p 408-464) Die nauwgezetheid contrasteert dermate met de manier waarop werd omgegaan met de ‘vanzelfsprekendheden’ dat daar, om de aan de literaire canon gebakken lezer tegen de haren in te strijken, blijkbaar wel wat tegenover mocht staan. Wie zich zet aan De roman in de negentiende eeuw zal het niet moeilijk vallen om daarmee vrede te hebben. 

Toos Streng. De roman in de negentiende eeuw. Geschiedenis van een nieuwkomer. Verloren, 2020. Bestelinformatie bij de uitgever.