Lossen en binden

Wonen in gedichten (16)

Door Judith Gera
Dit gedicht is bedoeld voor gevorderde studenten
en hoort in de categorie Geboorte en dood

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: Ter Wereld van Joke van Leeuwen.

Joke van Leeuwen

Ter wereld


Eens daverend eruit gedaan
het droge in, naar handen,
dat longen mochten openslaan,
dat lucht erin, dat kleren aan,
dat lavend zog gevonden.
Dat aangevangen van het bestaan
uit ketens moeders, voorgoed
moeders, wetend van hoe
onbedaarlijk baarlijk zij zijn
losgebonden.

Uit: Fladderen voor de vloed. Rainbow/Querido, 2007.

Joke van Leeuwen (1952) is een Nederlandse dichter, schrijver – zowel voor volwassenen als kinderen –  illustrator, cabaretière en performer. Ze studeerde grafische kunsten in Antwerpen en Brussel en geschiedenis aan de Vrije Universiteit Brussel. Vooral voor haar kinderboeken heeft zij talloze prijzen gekregen. In opdracht van het tijdschrift Ons Erfdeel schreef en illustreerde ze een boek over de ontwikkeling van het Nederlands getiteld Waarom een buitenboordmotor eenzaam is […]. Het met veel humor en vaardigheid geschreven boek oogstte groot succes. Joke van Leeuwen woont in Antwerpen waar ze tussen 2008 en 2010 stadsdichter was. Ze maakte in dat kader het ‘Elfhonderd meter gedicht’ in de Sint Anna-voetgangerstunnel onder de Schelde. Tussen 2014 en 2018 was ze voorzitter van PEN Vlaanderen. Van Leeuwen besteedt aandacht aan het vraagstuk rond mensen met een andere culturele achtergrond dan de Nederlandse of Vlaamse. Tijdens haar voorzitterschap van PEN Vlaanderen zorgde ze voor een breder podium voor migrantenauteurs.

Haar gedicht Ter wereld is duidelijk geschreven voor volwassenen. Het vereeuwigt het moment van de geboorte van de mens, waaraan hij of zij geen bewuste herinneringen bewaart. Poëzie ontregelt de werkelijkheid: door middel van fantasie en specifiek taalgebruik kan het de ons onbekende en onzichtbare, onbewust gebleven terreinen dichterbij brengen.

Het gedicht bestaat uit twee vijfregelige strofen (kwintetten). De eerste, derde, vierde en zesde regel hebben mannelijke volrijmen (er is gelijkluidendheid van twee beklemtoonde eenlettergrepige woorden of woorddelen): de beklemtoonde klinkers en de daaropvolgende medeklinkers zijn dezelfde. De vijfde en tiende regel hebben vrouwelijke volrijmen (er is gelijkluidendheid van twee woorden of woorddelen die elk bestaan uit één beklemtoonde plus één onbeklemtoonde lettergreep).

Opmerkelijk in het gedicht is het overheersen van de voltooide vorm van werkwoorden en de passieve vorm. Er wordt niet actief gehandeld, er worden gebeurtenissen ondergaan. De gebeurtenissen hebben allemaal te maken met de geboorte: een baby wordt uit de moeder gehaald en aan de handen van de dokter of de vroedvrouw overgedragen. Het zog (de moedermelk) wordt gevonden, het bestaan is aangevangen. Moeders worden losgebonden van hun baby’s. Het zijn allemaal instinctieve, bijna automatische ‘gebeurtenissen’ waarvan de pasgeborene zich niet bewust is en die hij of zij niet zelf kan sturen. In het bijwoord ‘daverend’ komt het dramatische van het gebeuren goed naar voren. De betekenis van ‘daverend’ is complex: niet alleen is het een hard geluidseffect maar het geeft ook aan dat een geboorte van radicale aard is, want onomkeerbaar. Een kind komt ter wereld; hij is dus niet meer in de baarmoeder maar voorgoed erbuiten. De titel Ter wereld is net zo gebrekkig als de zinnen in het gedicht. In de tweede regel wordt de dichotomie van het intra- en extra-uteraal bestaan aangegeven: vanuit de natte binnenwereld ‘het droge in’ wordt de baby ‘naar handen’ gedaan. Het pasgeborene is nog niet veel meer dan een voorwerp. De derde, vierde, vijfde en zesde regel zijn anaforisch: ze beginnen met hetzelfde woord ‘dat’. ‘Dat’ heeft in deze gebrekkige zinnen een deiktische functie: actieve werkwoorden ontbreken (behalve ‘openslaan’, maar ook hier betreft het de longen, niet het kindje als handelende persoon); de handelingen worden gesubstantiveerd. Ademhalen, kleren dragen, het zog vinden, het bestaan aanvangen, komen allemaal pas later in het leven in hun actieve vorm op gang.

In de eerste strofe beginnen de woorden na ‘dat’ in elke regel met de consonant l. Deze medeklinker hoort bij de liquidae oftewel vloeiklanken. Longen en lucht: beide hebben met ademhalen te maken. In het syntagma ‘lavend zog’ wordt naar de vloeistof (zie liquida) melk verwezen. Ademhalen en moedermelk drinken staan aan het begin van het leven. Deze lichamelijke aspecten worden hier ten opzichte van het pasgeboren kindje onderstreept. De drievoudige herhaling van de liquida l kan als klanksymboliek van deze lichamelijkheid opgevat worden. Het gedicht wordt verder gekenmerkt door een grotendeels jambisch ritme, dat vanaf regel drie van de tweede strofe verstoord wordt. De galopperende jamben die naar het leven toe leiden, stokken zodra het losbinden in strofe twee als iets voorgoeds om de hoek komt kijken. De galop wordt benadrukt door de alliteraties van het tweede woord in strofe één. Daverend, droge, longen, lucht en lavend zetten het kind als een hulpeloze hardhandig in de wereld. Verder hebben de rijmende regels in de eerste strofe hetzelfde aantal lettergrepen, hetgeen de cadans van het galopperen versterkt. Niet zonder reden wordt deze cadans in strofe twee onderbroken.

In de tweede strofe spelen de moeders de hoofdrol; dit in tegenstelling tot de eerste strofe waar de pasgeborene centraal staat en aan moeders alleen in hun passieve lichamelijkheid gerefereerd wordt: hun kind wordt ‘eruit’ gehaald in de zin van ‘gedaan’ (het overkomt de moeder) en hun ‘zog’ wordt gevonden. Van het nu van het geboortemoment wordt teruggeblikt op een gebeurtenis uit het verleden: er bestaat in ieders levensgeschiedenis een keten van moeders. De herhaling van het woord ‘moeders’ van regel twee van de tweede strofe in regel drie versterkt het effect van de oneindige ketens moeders. Die blijven voorgoed moeders. Het woord ‘losgebonden’ is niet voor niets gekozen. Het bevat het ‘lossen’ en het ‘binden’. Het ter wereld komen is ook altijd het tot stand komen van een verbondenheid. Hoe je het ook wendt of keert, de ‘keten’ blijft ondanks het ‘lossen’ altijd bestaan. De laatste zin van het gedicht is moeilijk: ‘wetend van hoe/ onbedaarlijk baarlijk zij zijn/losgebonden./ Ten eerste: bij het tegenwoordige deelwoord ‘wetend’ blijkt niet wie het subject van de handeling ‘weten’ is. Het lyrische ik? Of de pasgeborene? Of de moeders zelf? Of zij/wij allemaal? Dezelfde onzekerheid bestaat in verband met het persoonlijke voornaamwoord ‘zij’. Zijn ‘zij’ de moeders die van hun kind losgebonden zijn of juist andersom, de kinderen die van hun moeders worden losgebonden? Het maakt niet uit, moeder en kind zijn beide van elkaar ‘losgebonden’. Maar hoe gebeurt dat! ‘Onbedaarlijk baarlijk.’ Het gedeeltelijke binnenrijm – daarlijk–baarlijk – geeft de verbondenheid van moeder en kind ook nadat ze losgebonden worden talig weer. Ze horen bij elkaar. ‘Onbedaarlijk’ wil zeggen dat je weinig over het proces van baren hebt te zeggen, het overkomt je. Zoals golven (de woelige baren) je ongewild overspoelen. Dit geldt zowel voor de moeder in het proces van het baren als voor het kind, dat om zijn ter wereld komen niet gevraagd heeft. ‘Baarlijk’ heeft met ‘bloot’, ‘blootgeven’ te maken. ‘Hoe onbedaarlijk baarlijk zij zijn/losgebonden’ omschrijft dus hoe de geboorte gebeurt: onwillekeurig en bloot. In de laatste regel van de eerste strofe wordt het pasgeboren kind met de moeder juist door de tepel verbonden terwijl in de laatste regel van de tweede strofe de lichamelijke verbintenis ontbonden wordt. Niet voor niets wordt het gedicht ingekaderd door de rijmwoorden ‘zog gevonden’ in regel vijf en ‘losgebonden’ in regel tien. ‘Zog gevonden en ‘losgebonden’ staan aan het begin van een emotionele en geestelijke binding. De relatie tussen moeder en kind in het nieuwe leven dat ze samen beginnen.

Afbeelding van Engin Akyurt via Pixabay