Heel dikke boeken schrijven voor de eeuwigheid

Over Big Books in Times of Big Data van Inge van de Ven

Kaartje uit het kaartsysteem van J.J. Voskuil op het Meertens Instituut
(foto: Marc van Oostendorp)

Door Marc van Oostendorp

“Ooit was het genoeg om The Sound and the Fury of The Sun Also Rises te schrijven”, noteert de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen in zijn roman Purity, “Maar nu draaide het allemaal om grootte. Dikte, lengte.”

Franzen raakte aan een trend die je wereldwijd de afgelopen decennia inderdaad ziet: de trend van het schrijven van Heel Dikke Boeken in de literatuur. De Tilburgse letterkundige Inge van de Ven wijdde er een briljante studie aan, Big Books in Times of Big Data.

Franzen doet er zelf ook aan mee, door terug te grijpen naar de Dickensiaanse vervolgroman, als een manier om weerstand te bieden tegen wat hij ziet als de teloorgang van de romankunst in deze tijd: mensen lezen niet meer, of alleen nog sociale media, de openbare ruimte raakt gecommercialiseerd. In die omstandigheden moeten er bastions worden gebouwd van honderden pagina’s tegen die ineenstorting van wat de schrijver en de lezer lief is.

Onoverzienbaar

Franzens boeken zijn niet eens de dikste. Vergeleken met andere auteurs die Inge van de Ven behandelt is hij misschien wel de kortste: Mark Z. Danielewski, Roberto Bolaño, Elena Ferrante, Karl Ove Knausgård, George R.R. Martin en William T. Vollmann schreven allemaal dikkere boeken. (De kroon probeerde Danielewski te spannen: zijn The Familiar zou 27 delen beslaan en 21.000 pagina’s – maar na twee jaar en vijf delen, in februari 2018, moest hij aankondigen dat de serie werd gestaakt vanwege gebrek aan belangstelling.)

Wat brengt schrijvers tot het schrijven van zulke tours de force? Dat is de centrale vraag van Van de Vens fascinerende studie. De titel van haar boek doet wat mij betreft daarbij geen recht aan haar feitelijke werk. Van de Ven besteedt weliswaar óók aandacht aan de overstelpende hoeveelheden data waaruit de wereld inmiddels bestaat, en de pogingen van romanschrijvers om daar iets tegenover te stellen, om die onoverzienbare informatiestroom óók recht te doen tussen de kaften van een roman, maar er komen veel meer factoren aan de orde.

A Game of Thrones

Het monumentale van het Heel Dikke Boek is daar een voorbeeld van. Wie zo’n dikke pil – of zo’n serie vervolgboeken – de wereld in smijt wil duidelijk een monument oprichten dat duurzamer is dan brons. Wat dat betreft, zegt Van de Ven, is het geen toeval dat de schrijvers van Heel Dikke Boeken meestal mannen zijn (de enige vrouwelijke auteur in haar lijstje is Elena Ferrante, bij wie we dat ‘vrouwelijke’ tussen aanhalingstekens moeten plaatsen omdat we weinig over de schrijfster weten – en er verhalen zijn dat achter haar pseudoniem een man schuil gaat). Mannelijkheid wordt met grootheid geassocieerd, mannen zijn meer geobsedeerd met het oprichten van monumenten, mannen nemen vanzelfsprekender beslag op tijd (van de lezer) en ruimte (in de boekenkast) dan vrouwen.

Een andere factor is de opkomst van de ‘kwaliteits-tv’, die zich meestal manifesteert in lange series die ge-binged dienen te worden. Romanschrijvers nemen die technieken over, en zetten zich er tegelijk tegen af door Heel Dikke Boeken te schrijven waarin dingen gebeuren die je nooit verfilmd krijgt. George R.R. Martin is een bekend voorbeeld: hij begon aan zijn gigantische reeks A Song of Ice and Fire nadat hij jaren bij de tv had gewerkt omdat hij weleens een vreselijk ingewikkeld verhaal wilde vertellen. Dat vreselijk ingewikkelde verhaal werd vervolgens tot de populaire kwaliteitsserie A Game of Thrones, waarin veel van de ‘typische romanelementen’ alleen maar verder werden aangezet. Die serie kon inmiddels niet worden afgesloten op dezelfde manier waarop de romanserie dat zal doen omdat Martin het laatste deel van zijn romanreeks nog niet afheeft.

Keuzes

Van de Ven wijst er terecht herhaaldelijk op dat er natuurlijk altijd al dikke boeken werden geschreven. Franzen richt zich op Dickens, maar in de negentiende en twintigste eeuw is er al menig dik en ondoordringbaar boek verschenen, zij het dat Marcel Proust lange tijd wel de enige auteur was van een Heel Dik Boek, dat bovendien al veel van de kenmerken had die Van de Ven identificeert, zoals de poging om de hele wereld, of in ieder geval alles wat de hoofdpersoon Marcel zich herinnert, te boekstaven. Toch, zegt Van de Ven, dikte Proust juist die herinneringen nog heel erg in. Als iets meerdere keren gebeurde, vatte hij dat samen door te schrijven ‘dit gebeurde meerdere keren’. (‘Longtemps, je me suis couché de bonne heure’: dan zeg je dus niet: ik ging maandag vroeg naar bed, en dinsdag ging ik vroeg naar bed, en woensdag zocht ik vroeg mijn bed op.) Van de Ven contrasteert dat met Knausgård, die juist wel iedere herinnering die hij heeft aan een mislukte poging een meisje te versieren in zijn jeugd apart vertelt: alles moet worden geboekstaafd, en in detail.

Knausgård is daarmee een Proust van de Facebook-generatie, zegt Van de Ven: ook zijn lezers zijn inmiddels gewend om ieder incident met de wereld te delen. Moderne schrijvers van Heel Dikke Boeken willen geen keuzes maken.

Heel krachtig

Je kunt dat verschijnsel natuurlijk relateren aan Big Data, maar daarmee heb je nog geen causaal verband gelegd. De kwaliteit van Van de Vens werk blijkt uit het feit dat wat je zegt heel gemakkelijk kunt toepassen op andere Heel Dikke Boeken, bijvoorbeeld de twee prominentste schrijvers van zulke boeken in de Nederlandse literatuur: J.J. Voskuil en A.F.Th. van der Heijden.

Beide schrijvers stammen in zekere zin van voor de Big Data. Voskuil schreef Het Bureau in de jaren negentig, en in die tijd was Van der Heijden ook al lang begonnen met in ieder geval één van zijn megareeksen, De tandeloze tijd. Dat was overigens natuurlijk ook al wel een tijd dat mensen het gevoel kregen overspoeld te raken door informatie – dat de stroom verveelvuldigd is en pas later Big Data is gaan heten, betekent niet dat hij toen al niet al heel krachtig werd ervaren.

Onzinnig werk

Een van de interessante aspecten van Het Bureau (waarin op zijn Knausgārds, iets dat herhaaldelijk gebeurt, ook herhaaldelijk wordt verteld) is dat de hoofdpersoon Maarten Koning op zijn werk ook voortdurend bezig is om te proberen een gigantische stroom informatie te ordenen: alles wat er over de Nederlandse ‘volkscultuur’ verschijnt, in kranten of in wetenschappelijke tijdschriften, moet een plaats krijgen in dat systeem met honderdduizenden fiches. Er is een beroemde scene waarin een bezoeker Maarten Koning op de proef stelt:

‘Ik zoek nu buxus, maar dat staat er niet in.’
‘Een ogenblik, zei Maarten. Hij liep naar zijn machine, nam een rood fiche van een stapel, draaide dat erin, tikte linksboven buxus en daaronder, op de eerste regel, zie: palm en kwam met het fiche terug naar de bakken.
‘Nu staat het erin,’ zei hij terwijl hij het fiche op de opengemaakte plaats zette.

Het is iedere lezer van Het Bureau duidelijk dat het boek autobiografisch is (bovenstaande foto maakte ik een aantal jaar geleden in het kaartsysteem op het Meertens Instituut), maar Maarten Koning maakt er geen geheim van dat hij het systeem waaraan hij met zoveel vlijt werkt eigenlijk onzinnig vindt, zoals ook Voskuil er later regelmatig de nadruk op legde dat het werk op het Bureau onzinnig werk was, ‘bedoeld om intellectuelen van de straat te houden’.

Compenseren

Dat het schrijven van Het Bureau zelf een vergelijkbare poging was om óók een aspect van de werkelijkheid volledig vast te leggen, daar is al vaker op gewezen. Maar wat mij heel belangrijk lijkt: over zinloosheid ging het in dat kader nooit. Noch in het werk van Voskuil noch in zijn interviews wordt ooit rekening gehouden met de mogelijkheid dat het schrijven van zo’n gigantisch boek even zinloos en belachelijk is als het onderhouden van zo’n kaartsysteem, dat het net zo goed gezien kan worden als een manier om intellectuelen van de straat te houden. Ook de vrouw van Voskuil heeft na de dood van haar man herhaaldelijk haar afschuw geuit over zijn werk op het Bureau en tegelijk haar trots over die boeken.

De roman staat boven de database.

Het cruciale verschil is dan geloof ik het auteurschap. Het zou interessant zijn wat dat betreft Het Bureau eens aan de hand van Van de Ven te herlezen, met name op de aangesneden kwestie van de mannelijkheid. Knausgård, laat Van de Ven zien, worstelt duidelijk met die mannelijkheid (Scandinavische mannen moeten achter kinderwagens lopen en dat vindt hij eigenlijk heel erg), en door een Heel Dik Boek te schrijven probeert hij dat te compenseren.

Wijd gespreid

Hoe zit dat met Han Voskuil? Zijn werk is, voor zover ik kan nagaan, nog niet echt onderzocht vanuit het perspectief van gender, maar het is duidelijk dat daar van alles mee aan de hand is. Als een ouderwetse sociaal-democraat moet Maarten Koning in theorie feministisch zijn, maar hij werkt terwijl zijn vrouw thuis zit – al is de rechtvaardiging daarvoor dat die vrouw nog ‘principiëler’ is dan hij binnen een set principes die werken eigenlijk afkeuren. Hij voelt zich min of meer in die rol gedwongen – en als hij van zijn eerste geld zoiets mannelijks wil kopen als een roeimachine, krijgt hij daarvoor op zijn kop. Maarten heeft verder een uitgesproken hekel aan sterke vrouwen (Dé Haan!) en de enige vrouw over wie hij een erotische droom heeft in de vele duizenden bladzijden die Het Bureau telt is tegelijk de enige uitgesproken feministe (Engelien Jansen).

Als het Heel Dikke Boek het literaire equivalent is van de manspread, dan had Voskuil zijn benen onopvallend gespreid – maar gespreid waren ze toch.

Leven in de breedte

Ook aan het werk van A.F.Th. van der Heijden beginnen na het lezen van Van de Vens werk nieuwe dingen op te vallen. Dat betreft dan misschien niet zozeer het mannelijkheidsaspect, want dat ligt er bij deze schrijver wel heel dik bovenop, zelfs in zijn dunste boekjes.

De tandeloze tijd is daarnaast echter een duidelijk voorbeeld van een poging om een boek te schrijven over alles. De nadruk ligt minder op het systematische al vind je dat wel in de mythologie rondom Van der Heijdens schrijverspraktijk (de vele schrijftafels, de ordners en mappen, de uitgebreide schema’s). Het heeft wel een aantal aspecten van wat Van de Ven de Book-as-World-as-Book noemt: de hele wereld wordt, ook geografisch, binnengehaald tussen de kaften van het boek, met uitgebreide beschrijvingen van Geldrop, Nijmegen en Amsterdam, die ieder voor zich fungeren als microkosmossen.

Dat alles willen vatten is natuurlijk ook het expliciete thema van De tandeloze tijd – het ‘leven in de breedte’, waarbij je alles tegelijkertijd waarneemt, zodat je leven in de lengte misschien eindig is, maar in de breedte zo dik dat je tóch het eeuwige leven hebt, merk op hoe makkelijk het is hier de metafoor van ‘dikte’ te gebruiken.

Postuum

Maar minstens even opvallend is dat Van der Heijdens projecten qua megalomanie zelfs Danielewski naar de kroon steken. Waar de laatste zijn geplande 27-delige reeks na vijf afleveringen afbrak en dus een spookoeuvre heeft van minstens 22 boeken, daar moet het aantal niet gepubliceerde en nooit te publiceren oeuvre van Van der Heijden nog veel groter zijn. In ieder deel van zijn, zelfs in gerealiseerde vorm gigantische, reeksen worden allerlei delen ‘in voorbereiding’ aangekondigd die er vervolgens nooit blijken te komen.

Van de Vens theorie maakt duidelijk hoe al die niet afgemaakte titels eigenlijk ook bij het Heel Dikke Boek horen: in een poging alles en alles in de romanserie te verwerken hoort er zelfs ruimte in de boekenkast te worden ingeruimd voor boeken die de schrijver onmogelijk allemaal kan schrijven (ik herinner me hoe er jarenlang een roman in de planning stond over een of ander akkefietje met een huisbaas). De gewenste oneindigheid van het boek in tijd en ruimte poogt de schrijver met al die boeken ‘in voorbereiding’ in ieder geval iets dichterbij te brengen (al is 100 natuurlijk even ver van de oneindigheid als 50 of 5). Al die boeken horen er dus bij, wanneer je het werk van Van der Heijden aanschouwt. (Ik neem aan dat, mocht Van der Heijden ooit overlijden, een vlijtige neerlandicus nog vele onuitgegeven boeken postuum kan uitbrengen; maar ook dat zal pas een benadering zijn van het eigenlijke oeuvre.)

Vraag

Wat Voskuil en Van der Heijden gemeen hebben is een afkeer van moderne technologie: computers en dat soort apparaten. Ook die identificeert Van de Ven bij tamelijk veel van de auteurs die ze bespreekt – schrijvers van dikke boeken zetten zich schrap tegen de digitale tijd door stapels papier te beschrijven waar je niet naast kunt grijpen.

Natuurlijk zijn er ook zaken die ontbreken bij Van de Ven. Ik had wel graag wat meer gelezen over de economische factoren die het nu mogelijk maken om Heel Dikke Boeken te schrijven – misschien wilden schrijvers dat altijd al, maar kon het pas doordat de afgelopen decennia het uitgeven en drukken van boeken steeds goedkoper werd. Zoals het ook jammer is dat de lezer een beetje buiten beeld blijft – het wordt wel duidelijk waarom sommige schrijvers graag Heel Dikke Boeken schrijven, maar die boeken vinden in sommige gevallen ook een onwaarschijnlijk groot publiek. Maar ik heb de indruk dat Big Books in Times of Big Data haar proefschrift was, en dat kan nu eenmaal zelf niet een Heel Dik Boek zijn.

Bovendien: gegeven het feit dat nu eenmaal niet de hele wereld binnen de kaften van een boek kan worden behandeld is het goed als er af en toe een vraag overblijft. Alles bij elkaar is Big Books in Times of Big Data een van de inspirerendste letterkundige boeken die ik de afgelopen tijd gelezen heb.

Inge van de Ven. Big Books in Times of Big Data. Leiden University Press, 2020. Bestelinformatie bij de uitgever.