Gedicht: Johan van Heemskerck • Liedeken

Liedeken

Terwijl u oogh noch somtijdts Vrienlijck stondt,
En ick een kus mocht krygen van u mondt,
Was niemand so geluckigh hier in ’t landt,
Als ick mijn selven vandt.

Dat is voorbij, en nu voel ick mijn hert
Allenckxkens in een ander net verwert,
Dat sacht als sijd’, my aen een Zieltje bindt,
’t Geen sijns ghelijck naeuw vindt.

Doch of ’t gheviel dat d’uyt-gebluste vlam
Weer leven kreeg, en weer aen ’t branden quam?
Of d’Oude Min weer in mijn boesem sloop,
En mijn gemoed bekroop?

Hoe wel dat ghy Zijt schichtigh als een Rhee,
Hard als een Rots, verbolghen als de Zee,
Sy suyker-soet, en vriendelijck als ’t gesicht
Van ’t eerste Morgen licht.

Nochtans met u wensch ick te mogen leven,
Met u wensch ick mijn gheest te mogen gheven,
Met u wensch ick, door on-verbroocken Wet,
Een Dack, en Disch, een Bedt.

Johan van Heemskerck (1579-1656)

Portret: Biografisch portaal


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.