Gedicht: Jan Prins • Twee hanen

Twee hanen

Twee hanen hadden vrede. Een kip voegt zich erbij,
en brengt de poppen aan het dansen.
Liefde, reeds Troje storttet ge in ’t verderf, en gij
waart de inzet daar van de oorlogskansen,
toen zich de Xanthos kleurde met zelfs godenbloed.
Lang hielden de twee hanen in ’t gevecht zich goed.
In heel de buurt ging het gesprek over die heeren.
Al wat een kam droeg, kwam als kijker toegesneld.
Meer dan één Helena-met-veeren
viel aan den winnaar toe. Maar hij die lag geveld
verborg in de uiterste eenzaamheid zijn leed en schande.
Hij weende er om zijn glorietijd
en om zijn liefjes, die de winnaar van den strijd
voor zijne oogen bezat. Iederen dag weer brandde
zijn haat opnieuw en maakte hem van vechtlust dol.
Hij scherpte zich den snavel en sloeg zich de zijden
en stond tegen den wind te strijden,
van een jaloersche woede vol.
’t Bleek overbodig. De overwinnaar, van de daken,
kraaide zijn zegepraal luidruchtig uit.
Een grijpgier hoorde dat geluid,
en kwam met liefde en grootheid korte metten maken.
Al deze praal viel aan den rooversklauw ten buit.
Nu kwam voor de verlaten bruid
de mededinger weer te pas.
Maar denk eens aan, wat een spektakel
dat gaf van onderling gekakel,
daar hij met heel wat vrouwen was!

Op zulk een ommekeer is de Fortuin verzot.
Winst maakt zij tot verlies, gedraagt ge u onbezonnen.
Dus opgepast en op uw hoede voor het Lot,
juist, als ge een veldslag hebt gewonnen.

Jan Prins (1876-1948)
uit: Veertig fabels van Jean de la Fontaine (1940)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.