Frisisten aller landen, verenigt u!

Door Marc van Oostendorp

Ik heb boeken gelezen die mij uitbundiger hebben doen kraaien van plezier dan de bundel De takomst fan de frisistyk, die is samengesteld door drie vooraanstaande frisisten en die de teksten bevat van lezingen die vorig jaar tijdens een symposium op de Fryske Akademy werden gehouden.

Het gaat niet goed met de wetenschappelijke bestudering van het Fries. Ja, er zijn nog wat hoogleraren aan de universiteiten van Amsterdam, Groningen, Utrecht en Kiel die de tent proberen draaiende te houden, maar studenten hebben zij niet of nauwelijks. Doordat dit zo is, is onduidelijk dat er over pakweg tien of twintig jaar zelfs nog mensen zijn die deze hoogleraren kunnen opvolgen. De Fryske Akademy verkeert al jaren in crisis en het lukt maar niet om uit de put te komen. Als er nu niks gebeurt, is het weldra afgelopen.

Moede schoot

Frisisten aller landen, verenigt u! Maar uit de bijdragen aan de bundel blijkt eigenlijk niets van die urgentie, en misschien daardoor lijkt er ook nauwelijks naar een oplossing te worden gezocht. Veel van de stukken geven een opsomming van hoe het bestaande onderwijs momenteel wordt ingebed in de universitaire programma’s, dus dat gaat van stúdzjepunten hier en bestjoersôfspraak daar – niet bepaald de termen waarvan het Friese bloed gaat bruisen, koken en bonzen door de aderen.

Degenen die iets anders willen dan bureaucratische oplossingen, noemen zich ofwel zelf al reactionair (weg met modieuze fratsen als het onderzoek naar meertaligheid, leve de studie van de Friese infinitief), of ze hebben niet veel meer te melden dan dat de jeugd het maar moet bepalen – een jeugd die er niet is.

Het wekt, kortom, allemaal de indruk alsof men het eigenlijk ook allemaal niet meer weet, en bij voorbaat het hoofd al in de moede schoot legt.

‘Zuiver’ Fries

Terwijl het volkomen duidelijk is dat de studie van het Fries van groot belang is voor iedereen die Nederland wil begrijpen. Dat geldt taalkundig – we weten dat wat we nu Nederlands noemen voor een belangrijk deel gevormd is door intensief contact tussen (vooral) Frankische en Friese dialecten. Dat geldt cultureel – er is hier in de negentiende eeuw (na een paar eerdere geïsoleerde pogingen) een kleine maar interessante letterkunde ontstaan, die heel sterk door de Nederlandse is beïnvloed, maar daar toch een eilandje in vormde, en een paar grote dichters heeft opgeleverd zoals Obe Postma en Tsjêbbe Hettinga. En het geldt, jawel, ook voor het grandioze experiment in meertaligheid dat de Friese samenleving is.

De Nederlandse cultuur is er altijd een geweest van diversiteit – om dat te begrijpen is geen studie zo zinvol als precies die van het Fries. Hoe gaan we om met die diversiteit? Kun je ook Nederlander zijn als je in het dagelijks leven een andere taal spreekt? Of als je gedichten schrijft in die taal? Bestaat er een ‘zuiver’ Nederlands of een ‘zuiver’ Fries? Wat voor rechten geven we degene die zich wil uitdrukken in zijn moedertaal? Hoe lukt het mensen om op het allerhoogste niveau met elkaar te communiceren in twee verschillende talen? En hoe werkte dat in het verleden?

Grondig onderzoek

Ik wil bovendien niet meteen pleiten voor invoering van het Fries op alle middelbare scholen in het Koninkrijk, maar dat het in Friesland bestaat is een groot goed – spelenderwijs komen leerlingen daar meer te weten over dit soort zaken. En om dat te laten bestaan hebben we docenten nodig, en die moeten worden opgeleid en moeten er voortdurend dingen worden uitgezocht.

Alleen al om die redenen mag de frisistiek niet verloren gaan. Het zou niet alleen een verlies betekenen voor de Friese gemeenschap – een minderheid die ook nog steeds wel wat steun kan gebruiken – maar voor de hele Nederlandse samenleving. Er is een enorme schat aan kennis verzameld die nog steeds, nee, die juist nu van grote waarde is; en er is een enorme hoeveelheid nieuwe inzichten te winnen in grondig onderzoek van dit alles.

Troosteloos bureaucratisch pad

Wij hebben enorm veel te verliezen. We staan op het punt enorm veel te verliezen. Je zou verwachten dat er moord en brand wordt geschreeuwd, maar in De takomst fan de frisistyk gebeurt niets van dat alles.

Op het voorplat van een weg. Het is ongetwijfeld de meest troosteloze weg van heel de provincie Fryslân: het asfalt ligt er keurig bij, er ligt geen vuil in de berm, rauw is de geur van het gras, de weg voert ook vast ergens naartoe, maar het is de vraag of je daar wilt wezen. Het bord langs de weg zegt niet ‘wolkom’ maar ‘oant sjen’ (tot ziens). Dat is kenmerkend voor de toon van het boek – dat een troosteloos bureaucratisch pad schetst naar de ondergang.