Een springveer tussen stuur, zadel en pedalen


Door Nico Keuning

Gerbrand Bakker zweert bij non-fictie en heeft de metafoor afgedankt. In Knecht, alleen, zijn tweede boek in de serie privé-domein, zegt hij: ‘Ik wil geen metaforen gebruiken omdat ik wil proberen heel precies te beschrijven wat het is en hoe het voelt.’ Dat is juist precies wat een goede metafoor doet, zoals blijkt uit De renner van Tim Krabbé, dat ik onlangs weer eens herlas na de zesde Tour-etappe van Le Teil naar jawel, Mont Aigoual: de berg uit De renner (1978).


We mogen blij zijn dat de schaker en schrijver Tim Krabbé, zij het te laat voor een profcarrière, het wielrennen heeft ontdekt. Hij is in tegensteling tot de beroepsrenner, in staat te romantiseren, en hij kan schrijven. Tijdens zijn eerste rit ‘Wedstrijd 1, op 11 maart 1973’, een tijdrit over 33 kilometer, wordt hij ingehaald door een renner die zes minuten later is gestart, maar Krabbé geniet van ‘de eerste wielerkoers’ van zijn leven. Zijn ‘sportcarrière’ begon al in 1948, op vijfjarige leeftijd: ‘Wij hadden een schrijfmachine, daar mocht ik soms op tikken. Ik tikte alle getallen. Ik begon bij 1 en zo hoger. Ieder getal was hoger dan het vorige. Mijn leven was een doorlopende recordverbetering.’

Op de fiets zelf na – het materiaal, de versnelling, het stuur, de wielen, de banden, de remschijf – is er in het wielrenner niets veranderd. Althans niet in het hoofd van de romanticus die op een racefiets zijn ‘amateurklassieker’ rijdt. Dat kan ook in je eentje. Tijdens een lange klim bijvoorbeeld. Zolang je vooruitkomt ben je een renner en zolang je nog kunt denken en kijken, besta je, meer dan ooit. Je voelt het aan alles, want alles doet pijn. Je voelt de hitte, de zon. Je ziet het zweet op je armen, in de huidplooien van je polsen. Tijdens het klimmen ontdekt Krabbé ineens hoe mooi zijn polsen zijn!

De zesde etappe Le Teil – Mont Aigoual in de huidige Tour de France besloeg 191 kilometer. De wedstrijd van Krabbé gaat over 137 kilometer, twee verschillende lussen door Meyrueis ((8ste druk, 1987, p.6): ‘De mont Aigoual is de hoogste berg van de Cevennen, 1567 meter.’ In De renner kruip je in de huid en in het hoofd van Krabbé. Hij gaat deze rit winnen, weet hij en in de metaforen schuilt de nietsigheid, de vernedering van zijn concurrenten (p.16): ‘Despuech zal ik passeren als een kippenveer, op de eerste klim schud ik Sauveplane van me af als een gerafeld washandje. De laatste honderd kilometer soleer ik op kop, over mijn overwinning wordt nog jaren gesproken.’ Een renner moet een doel hebben, zei oud-wielrenner en Tour-verslaggever Maarten Ducrot zondag tijdens de negende etappe, waarin de held Hirschi negentig kilometer op kop over vier cols reed, ‘anders kun je het niet opbrengen’.

Tijdens een stuk zware klim valt de kopgroep uiteen (p. 32): ‘Grote ontwikkeling: nu lost voor me Guillaumet, Reilhan gaat alleen verder. Vasthouden. Ik zit tussen de achterwielen van Kléber en Lebusque. Mijn benen voelen zwart. (…) We lopen in op Reilhan, Kléber rijdt het laatste gat dicht, stil naderen we, als een ruimtevaartuig dat een koppeling gaat uitvoeren.’ Mooi beschreven ‘wat het is’ (Gerbrand Bakker), zo langzaam als het gaat, in stilte, ondanks de enorme inspanning. Een sterk beeld.

Krabbé associeert er met veel kennis van de wielergeschiedenis lustig op los. De Trofeo Baracchi, een duotijdrit in 1962, waarin Rudi Altig met Anquetil wint. De laatste is de uitputting nabij (p. 36): ‘Bij het binnenkomen van het stadion was Anquetil zo volkomen leeg dat hij eenvoudig de bocht niet meer kon nemen en omviel als een boek op een boekenplank.’ Beter kun je omvallen niet beschrijven, (‘wat het is’ Gerbrand Bakker). Pagina 43: ‘Kilometer 55-59. In de verte een zee van stilstaande, elkaar verbergende, vaagblauwe golven: de heuvels. Daarachter moet de Mont Aigoual zijn. Donkergrijze slurven hangen uit de lucht omlaag, alsof hij moet worden bijgetankt.’ Een omineuze beeldspraak. Zeker als die berg je doel is, op de fiets.

Negentig kilometer onderweg. ‘Wij zijn nat, koud en vies.’ Waarom doen wij dit? vraagt Krabbé zich af (p. 80). Het is de wil als die van een alpinist om een berg te beklimmen, ook al is er geen berg: ‘Ook als de aarde zo plat was als een biljartbal zouden er alpinisten zijn: de ware alpinisten.’ Een beeld in een beeld. Heel verhelderend en geestig door de zogenaamde paradox plat en bal.

Dalen is soms het begin van bevriezen (p. 99): ‘Mijn handen! Mijn stuur is een operatietafel waarop zonder verdoving gesneden wordt.’ – (‘hoe het voelt’ – Gerbrand Bakker). Over kou gesproken. Krabbé herinnert zich Merano – Trento, 242 kilometer door de Dolomieten. Van de 87 gestarte renners gaven er 46 op. Daan de Groot reed hem uit (p. 102): ‘De laatste zestien kilometer moest geklommen worden op een volledig dichtgesneeuwde berg. Soldaten hielden met bezems een paadje vrij voor de renners en duwden ze. Als een emmertje water bij een middeleeuwse brand ging Daan de Groot omhoog.’ Prachtig, ook door het ritme van de zin. De Groot wordt als het ware van de ene naar de andere duwende hand doorgegeven. Het verkleinwoord ‘emmertje’ versterkt de nietigheid van de renner en de middeleeuwse brand geeft het decor en de omstandigheden iets onmenselijks: de hel uit de oertijd. De brand contrasteert daarbij scherp met de bijtende kou van sneeuw en ijs.

Bij kilometer 125 voelen Krabbés benen ‘als het touw in de finale om het wereldkampioenschap touwtrekken’ (p. 111). Strakker kan inderdaad niet. Twee kilometer voor de streep is hij nog over met Reilhan. Dat wordt sprinten (p. 119): ‘Ik voel mij nu volkomen sterk. Ik zit ingeklemd als een springveer tussen stuur, zadel en pedalen.’

Mijn eerste racefiets, met toeclips en schakelhendel, was een Peugeot (1970), de tweede was een Juncker (1986) en nu rijd ik op een Merida (2008), door de duinen, in de polder, en over de grens over bergen en door dalen. Tijdens mijn eenzame rondes denk ik vaak aan De renner: ‘Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.’