Wiener, of: Wat is literatuur?

Door Jos Joosten

Als begin een commercial break die mijn eigen plaatselijke boekhandelaar me niet zal kwalijk nemen: in de mooie stad Deventer staat de prachtboekhandel Praamstra, waarvoor ieder die toevallig in stad of ommeland verkeert de omweg moet maken. Bij Praamstra bleek mij weer dat het web toch niet tegen de fysieke winkel op kan. Ik ben nogal een liefhebber van het werk van L.H.Wiener, maar had totaal gemist dat nét pre-corona De zoete inval is verschenen, een kleine bundel korte verhalen van hem ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag.

Het openings- en titelverhaal is meteen ronduit prachtig. Waarom? Misschien een omweggetje. Ik heb niet alle, vele vele honderden, Nederlandstalige romans gelezen die het afgelopen decennium verschenen zijn. Maar de trend lijkt me toch duidelijk dat men sterker en sterker neigt naar de autobiografische insteek. In de praktijk veelal: het eendimensionale verhaal van het eigen leven, in plaats van een zorgvuldig gecomponeerde en gestileerde eigen werkelijkheid. En als het al niet expliciet autobiografisch is, is de interviewer of beschouwer nooit ver weg die er het echtgebeurde koste wat kost tracht uit te peuren.

De romans van Wiener zijn absoluut autobiografisch, alleen kun je aan zijn werk zien wat een vakkundige, getalenteerde literair schrijver doet met zijn eigen werkelijkheid. En het titel- en openingsverhaal, ‘De zoete inval’, laat wat mij betreft fenomenaal zien hoe dat gaat.

Het verhaal geeft de terugblik van Victor, een oudere man, op een avond midden jaren zeventig. De voornaam van het hoofdpersonage is meteen al subtiel: we horen die slechts terloops, maar het is voor de Wiener-lezer meteen duidelijk dat we te maken hebben met Victor van Gigch, zoals het hoofdpersonage in zijn laatste romans heet. Ook verdere details wijzen in zijn richting: de leraar Engels, het sabbatical, Haarlem als decor. En zo zou het goed kunnen dat het hele, eigenlijk doodeenvoudige, verhaal écht gebeurd is. 

Vanuit het heden beschrijft de oudere gepensioneerde Victor hoe, na het kopen van een bakje maden voor het vissen (‘Maden, je kunt niet zonder’), zijn oog valt op het fourniturenwinkeltje tegenover de vissportzaak. Het brengt zijn gedachten naar een dronken avond, tientallen jaren eerder, in 1975, wanneer hij Lena Makkelie, de vriendin van een kroegvriend, versiert en met haar een uiteindelijk mislukte poging tot seks heeft in zijn vrijgezellenappartement op dertien hoog. Lena, die op de valreep bekent dat zij zwanger is van de kroegvriend, is de volgende ochtend vertrokken en hij ziet haar nooit meer.

Dat is – in feite – het hele verhaal.
En zoals gezegd: misschien wel 100% echt gebeurd.
En toch is er zoveel meer.

Het knappe zit hem in alles wat Wiener suggereert. Slechts terloops zijn er de verwijzingen naar de dood – of concreter het doodsverlangen – van Lena. Van het terloopse ‘Het liefst was ik zelf dood, weet je dat..’ in het café, tot hoe ze later die avond op het balkon van Vincents flat filosofeert over hoe het zou zijn naar beneden te springen. Aan de wand in de flat hangt een gedicht van Victor, dat ze zeer aandachtig leest. Dat moet het gedicht ‘Dank u’ van Wiener zijn (zo is uit de omschrijving op te maken) en ook dat staat geheel in het teken van de dood, culminerend in het fatale ongeluk van een jong meisje.

Schrijnend is een ander ook weer terloops detail. Tijdens de seks hoort Victor, alvorens Lena zich ‘naar lagere regionen werkte’, het geluid van ‘enkele tikken van voorwerpen die op het nachtkastje naast het bed worden geplaatst’. Naar later blijkt: de zeventwintigjarige heeft een kunstgebit. De tanden, zoals Mulisch ooit zei het enig zichtbare gedeelte van ons geraamte, zijn bij haar al verdwenen: het verval is zichtbaar.

Bij herlezing zie je ook hoe subtiel Wiener speelt met het motief van de zwangerschap. Wanneer ze op Victors balkon staan, komen doodsdrang en zwangerschap prachtig samen:

Ze boog zich nu voorover en keek recht naar beneden.

‘Allemachtig, wat een diepte!’

‘Het is dertien hoog,’ herhaalde ik nog maar eens.

‘Ik voel het waarachtig in mijn buik, weet je dat?’ En toen: ‘Je zou er haast ideeën van krijgen.’

Als ze uiteindelijk in bed belanden, beschrijft hij Lena’s lichaam ‘als dat van een mooie, jonge moeder’.

Helemaal aan het begin van het verhaal valt Victors oog in de etalage van het fourniturenwinkeltje, dat de trigger van zijn herinnering is, op de uitgestalde covers van het modeblad Katia, bestemd voor de ‘breiende jonge moeder en haar kind’.

De uiteindelijke afloop van het verhaal in het heden is naar én ontroerend. Met de maden op zak besluit de oude Victor, na enig aarzelen maar geïnspireerd door zijn herinnering, niet huiswaarts te gaan, maar een andere bestemming te kiezen. Hij fietst naar een spoorwegovergang nabij restaurant ‘De Zoete Inval’. De trein richting Haarlem dendert voorbij als Victor vaststelt dat het doosje met maden is opengegaan in zijn jaszak.

Ik schudde de maden uit mijn kleding, die neerregenden in het gras en op het zand naast de spoorbaan.

Maar liever had ik op die plek wat rozen neergelegd.


Einde.

Meer zegt de schrijver niet – hij laat het bij de suggestie van de zelfmoord van de ongelukkige Lena. Waarbij die maden natuurlijk tot navrant symbool worden op die plek langs het spoor.

Over de titel heb ik even nagedacht: ‘De zoete inval’ bevindt zich nabij de cruciale locatie van het verhaal en is de naam van een (bestaand) aloud etablissement ter plekke, maar speelt verder geen rol. Mij lijkt dat ook hier een tweede betekenis speelt (maar indien ik teveel fens, mag u het zeggen): mij lijkt het de bitter-ironische omschrijving van wat Victor drijft. ‘Inval’ moet je dan lezen als ‘ingeving’.

Ik vind dit verhaal fenomenaal. Als dit autobiografisch schrijven is, dan is daar niets mis mee. Misschien moet je er wel voor op de zeventig zijn en decennia schrijfervaring hebben.