Van biografiekast naar letterkast

Door Nico Keuning

Het is soms wonderlijk, om niet te zeggen toevallig hoe een boek ontstaat. Bijna een jaar geleden wilde ik iets schrijven over een obscure, exclusieve uitgave met literaire, pornografische poëzie (Ik schreef erover op deze website). Het boekje had een vaste plaats in mijn boekenkast, maar nu was het onvindbaar. De titel was uit mijn geheugen verdwenen. Wel herinnerde ik mij Arjaan van Nimwegen, drukker van de Bucheliuspers in Utrecht en kenner van bijzondere uitgaven. Al dertig jaar niet meer gesproken. ‘Een boekje met priapeeën,’ legde ik hem voor. ‘Priaap Ontknoopt,’ wist hij. ‘Dat is op internet eenvoudig te bestellen.’ Het herstelde contact had de drukker op een idee gebracht. Een paar dagen later vroeg hij per e-mail of ik een ongepubliceerde tekst had in een van mijn biografiekasten. ‘Niet te lang.’

Van Bob den Uyl had ik een dagboek (‘Dagboek ‘63/’64’), dagboeknotities in een zakagenda van 1947 en een beschreven fietstocht door Nederland met vrienden uit 1947 (Trektocht 1947). Een aantal dagboeknotities was in maart 1965 al in het tijdschrift Barbarber (nr.39) gepubliceerd. Aantekeningen met de herkenbare humor van Den Uyl. En, in een grote envelop, bewaarde ik het manuscript van de ongepubliceerde roman Ieder draagt zijn steentje bij, vermoedelijk uit 1964. Maar, had de drukker gezegd, de tekst mocht niet te lang zijn. Hij moest de tekst immers met de hand zetten en drukken op zijn pers.

Hoe was Den Uyl ertoe gekomen een roman te schrijven? In afwachting van het verschijnen van zijn debuutbundel Vogels kijken (1963) bij Nijgh & Van Ditmar, heeft zijn toenmalige uitgever E.W.P. van Dam van Isselt aangedrongen op een roman, omdat romans ook toen al beter verkochten dan verhalenbundels. Den Uyl zit ermee in zijn maag. Hij verkrampt. Vloeit een verhaal hem in een soepele stijl uit de pen, bij het schrijven van een roman heeft hij geen idee hoe hij het aan moet pakken.

Hij lucht zijn hart in dagboekaantekeningen, die hij met tussenpozen van september tot en met 8 december 1963 noteert: ‘In welke tijd: tegenwoordige of verleden?’ In welke persoon: eerste of derde? Welke bijfiguren? Hoe schrijf je een roman? Zie daar de problemen godverdomme.’

De roman met Johan Martins als hoofdpersoon is een beschrijving van gebeurtenissen die zich uitstrekken over vijf hoofdstukken: ‘1. woensdag’, ‘2. donderdag’, ‘3. vrijdag’, ‘4. zaterdag’ en ‘5. zondagmorgen’. Maar wat Den Uyl in zijn verhalen wel lukt, wil in de roman maar niet van de grond komen. Ondanks de autobiografische gegevens die hij in de tekst verwerkt, blijft de roman te veel aan de oppervlakte hangen.

In de hoofdpersoon Johan Martins is in zeker opzicht Bob den Uyl te herkennen; hij is vertaler van erotische romannetjes, en drank, seks en agorafobie zijn herkenbare thema’s die in zijn latere oeuvre zullen terugkeren. Het verhaal in de roman ontrolt zich als volgt: Johan huurt een kamer bij een hospita en probeert moeizaam een relatie aan te knopen met ene Linda wier man op zee is. Later in de roman probeert hij Jeannette te versieren, de vrouw achter de tap van zijn stamcafé. Na gedoe met de hospita wordt Johan uit zijn kamer gezet. Als een hoofdpersoon in een Nouvelle Vague-film rijdt hij doelloos rond in de rode sportwagen van Linda. Vaak met een slok op. Als hij wordt aangehouden door de politie moet hij de auto inleveren. Aan het eind van het laatste hoofdstuk lift hij naar Antwerpen.

Den Uyl was er terecht niet tevreden over. ‘DAT BOEK VERDOMME,’ schrijft hij in zijn dagboekaantekeningen. In zijn commentaar legt hij zelf de vinger op de zere plek: ‘Die Johan moet beter dingen zeggen, betere dingen kunnen opgeven voor zijn handelwijze. OF: helemaal niets zeggen over zijn gedachten, nergens een reden voor opgeven, de oorzaken en de redenen laten blijken uit zijn daden en omstandigheden.’

Precies wat Den Uyl wel doet in zijn verhalen.

Ieder draagt zijn steentje bij is interessant, omdat de roman laat zien dat Den Uyl geen romancier is. Hij is de schrijver van verhalen en literaire reportages, waarin het absurdistische van de werkelijkheid herkenbaar en humoristisch is beschreven.

Hij wist dus dat ‘de roman’ niet goed was. Toch heeft hij na zijn overstap naar uitgeverij Querido het typoscript van 123 bladzijden eind jaren zestig bij Reinold Kuipers aangeboden, die het afwees. Zelfs in 1983 stuurde hij het nog eens op naar Ary Langbroek, de opvolger van Kuipers, die er evenmin iets in zag.

De roman is volgens Den Uyl op de een of andere manier kennelijk toch de moeite waard om te publiceren. Misschien omdat hij er zelf zijn zoektocht naar het onbereikbare in herkende: zijn kantoortijd aan de Veerkade in Rotterdam en de cafés rond het Westplein, zijn toenmalige onvrede, de lethargie, de drank: het idee de loser op te tillen tot anti-held van een roman.

Ik stelde Van Nimwegen een fragment voor uit hoofdstuk ‘3. vrijdag’ (pagina 53 t/m 60 ), dat te lezen is als een op zichzelf staand verhaal. De titel had ik uit de tekst geplukt: Een trouwe vriend. Deze verwijst naar een uitspraak van Johan Martins over alcohol. Zo reduceerde ik de roman tot een kort verhaal. Het genre dat Den Uyl typeerde als ‘een roman waarin al het overbodige is weggelaten’.

In januari was de drukker met het zetwerk begonnen: ‘Inleiding is gezet en gedrukt, ben nu begonnen aan het zetwerk voor de tekst zelf. Het drukken valt niet mee: het papier is nogal stug en mijn pers vertoont onderhand mankementen. Ik doe hem binnenkort de deur uit, dat is althans het voornemen. Dat zetwerk is een hele klus; deze tekst is (voor mij) behoorlijk omvangrijk. Gelukkig mag ik hier en daar leuke typografische grapjes uithalen. Repeterend ornament is een geheel uit drukmateriaal opgebouwd borrelglaasje, veel gepiel maar lekker om te doen.’

Half februari, nog net voor de corona-uitbraak, reisde ik naar het hart van Utrecht om het drukken te bekijken. Precisiewerk, monnikenwerk, dat veel geduld vereist. Een heuse letterkast, met bovenkast en onderkast, de zware pers met slinger, de inkttubes, de inktroller. Onder het gele lamplicht waande ik me in een ver verleden tijd.

Eind juni ontving ik per post enkele exemplaren (oplage 35): ‘De trouwe vrienden zijn vandaag aangekomen. Ze zijn werkelijk prachtig! Mooi zetwerk, genaaid en gebonden. Ik maak hier nu even een diepe buiging voor je. Het is maar dat je het weet. De letter op de omslag is sterk en het jeneverglas fragiel, zoals het hoort. Mooi die twee glaasjes, blauw en zwart, tussen inleiding en verhaal. En nog een hellend glas tot slot, waaruit het koningswater druppelt. Ik krijg echt zin in een borrel… Het gesneden papier en de wisselende inktdichtheid van de letters geven goed aan dat het puur handwerk is, vakwerk, monnikenwerk.’

Waar was trouwens dat nummer van Barbarber met notities uit de agenda van 1947? Ik haalde een stapel boeken uit de kast voor de rij Den Uyl… Daar stond ie, tussen enkele exclusieve uitgaven: Priaap ontknoopt! Wat deed dat daar?! De wet van Den Uyl was in volle werking: Ik vond wat ik niet zocht. Het Barbarber-nummer is nog zoek.