Taalunie veertig jaar

Door Yves T’Sjoen

De Taalunie is als verdragsorganisatie uniek in haar soort. De supranationale samenwerking tussen Nederland, Vlaanderen en Suriname biedt de mogelijkheid om op het gebied van taalbeleid land-overschrijdend beleid te voeren. Ze behartigt al sinds veertig jaar de belangen van het Nederlands zowel in het moedertaalgebied als in het buitenland. Bizar dat de verjaardag vrijwel geruisloos passeert. Naar aanleiding van het jaarverslag 2019 publiceerde Luc Devoldere deze beschouwing. Dat is het zowat. Wat is er aan de hand?

De Taalunie speelt een ondersteunende en bepalende rol op het gebied van de positionering van het Nederlands hier en elders. Corpus- en statusplanning van onze taal verdienen daarbij nadrukkelijk aandacht. Taaltechnologie en digitalisering kunnen daarbij breed worden benut. Na vier decennia is het tijd voor een balans, zeker wanneer je weet dat Nederlandse politici koele minnaars zijn van het instituut. De delegatie van beleidsbevoegdheid inzake taal is ongezien in de wereld, en precies daar knelt het schoentje in Nederland. Daarenboven is de Taalunie een geldverslindende organisatie. Dat steekt bij onze calvinistische noorderburen, maar hoe kijken onze Vlaamse politici hier eigenlijk tegenaan?

Er zijn vele uitdagingen voor de Taalunie. Vorig jaar kreeg ik de gelegenheid om hierover na te denken en met actoren en verenigingen in het zogenaamde middenveld te praten. Het is dringend nodig dat een duidelijke focus wordt vooropgesteld om de beleidsvoering en de slagkracht van de organisatie te versterken. Zo niet wordt het instituut politiek gesproken de wind uit de zeilen genomen en zal het overbodig worden gemaakt. Er gaan nu al stemmen op dat van een unie van de Nederlandse taal al lang geen sprake is. Nederlanders en Vlamingen delen dan wel een taal, maar ze wordt wel op heel uiteenlopende wijzen gesproken. De politieke belangen voor het al dan niet in stand houden van een Taalunie zijn uiteenlopend in Noord en Zuid. 

De primaire verdragstaken van de Taalunie, zoals taalinfrastructuur en onderwijs in het buitenland, lenen zich het best om de urgentie van het initiatief te onderstrepen. Ook onderzoek en bij uitbreiding de internationale neerlandistiek (taalvaardigheid, taal- en letterkunde, cultuur) behoren tot haar actieterrein. In tijden van verengelsing van het hoger onderwijs heeft de Taalunie de opdracht de positie van het Nederlands te versterken. Wat vermag het instituut in Den Haag tegen het pragmatisch taalbeleid van universiteiten, of dus financieel beleid, en een wereldwijde tendens die op verengelsing is gericht? In hoeverre kan de Taalunie zich laten gelden en wegen op taalbeleid in het hoger onderwijs? Ik vrees dat het bedroevend weinig is. De promotie en het faciliteren van het Nederlands in de wereld, samen met de Internationale Vereniging voor de Neerlandistiek (IVN), behoren tot haar takenpakket. Dat is en blijft een strategisch speerpunt voor de Taalunie 2.0. Door een visionair en slagvaardig beleid te voeren, eigenzinnig en vooral kritisch in het gesprek met de politieke overheden en ambtenaren, moet het algemeen secretariaat zijn relevantie en zelfs noodzaak blijven rechtvaardigen. Tegelijk houd ik een pleidooi voor een kritische zelfevaluatie. Zo niet zie ik het eerlijk gezegd somber in.

Internationale Neerlandistiek

De positie van het Nederlands kan aanzienlijk worden versterkt. In een geglobaliseerde en gedigitaliseerde wereld, waarin het Engels de internationale lingua franca is, staat de neerlandistiek voor nieuwe uitdagingen. In het taalgebied moet méér worden ingezet op professioneel onderwijs in en over de taal in een meertalige omgeving. De opleiding van leerkrachten Nederlands, stilaan een knelpuntberoep, is een aandachtspunt. Internationaal kan de neerlandistiek verder worden versterkt, niet alleen door het aantal plaatsen uit te breiden waar buitenlandse studenten onderwijs volgen, maar ook de bestaande departementen meer te professionaliseren en te clusteren. Internationale docentenplatforms zijn in verschillende regio’s bijzonder operationeel, en verdienen meer ondersteuning. Veldanalyses, zoals vorig jaar ondernomen in Polen en Italië, verdienen aanvulling en uitbreiding teneinde de stand van zaken internationaal in kaart te brengen en te remediëren en bij te sturen waar nodig. De neerlandistiek in Midden- respectievelijk Zuid-Europa bijvoorbeeld heeft uiteenlopende verzuchtingen en uitdagingen, verschillende dynamieken. De economische component mag bij dit alles niet uit het oog worden verloren en zo mogelijk zou ingespeeld moeten worden op actuele geopolitieke ontwikkelingen. 

Onderwijs Nederlands

Het talenonderwijs op het niveau van basis-, middelbare en hogeschool en universiteit is dringend aan een herziening toe. De kloof tussen opleidingsniveaus is niet alleen diep, zoals slaagcijfers van generatiestudenten aan hogescholen en universiteiten laten zien. Daarnaast merken we dat steeds minder leerlingen in Nederland en Vlaanderen opteren voor een studieprogramma talen. Daar zal een Talenplatform weinig aan veranderen. Wat het Nederlands betreft is de situatie aan Nederlandse universiteiten intussen rampzalig, in Vlaanderen stilaan alarmerend. Zowel in basis- als middelbaar onderwijs moet meer aandacht worden besteed aan het Nederlands in een meertalige omgeving. Aan universiteiten en hogescholen zijn promotiecampagnes naar analogie met STEM-vakken (Science, Technology, Engineering en Mathematics) noodzakelijk. Opleidingsarchitecturen, zoals voor de universitaire neerlandistiek, zijn soms hopeloos gedateerd. De Taalunie kan in samenspraak met onderwijsinstellingen nadenken over nieuwe uitdagingen voor het onderwijs Nederlands op alle niveaus. 

Samenwerking met belanghebbende organisaties

Het spreekt voor zich dat met verenigingen en belangenorganisaties die zich bekommeren om het Nederlands wordt samengewerkt. Beleid voeren geschiedt met de input van instituties, zoals onderwijskoepels, NVT (Nederlands als Vreemde Taal), belanghebbende taalorganisaties, het maatschappelijk middenveld. Open dialoog en een luisterend oor zijn een noodzaak. Uiteindelijk moet een beleid tot stand komen met een breder draagvlak dan vandaag. Aan het internationale imago van de Taalunie kan duidelijk worden gewerkt. Heldere communicatiestrategie en afstemming op het terrein zijn daarvoor de voor de hand liggende instrumenten.

Communicatie

Naast samenwerking met vele actoren in het taallandschap is communicatie een uitdaging voor de Taalunie 2.0. Bepaalde beleidskeuzes (bv. Taalunie Zomercursus Nederlands, UGent) verdienen navolging, andere dan weer bijsturing. Indien de TU voor het Nederlands in de toekomst iets wil betekenen, moet het instituut rekening houden met de positie van het Nederlands in een meertalige en interculturele wereld, een beleid uitstippelen teneinde die positie te verstevigen en voortdurend te bevragen. Niet alleen digitale instrumenten zullen de toekomst verzekeren. Aansluiting bij het brede veld van onderwijs en onderzoek is noodzakelijk.

Mijn oproep is: méér geloofwaardigheid en een gunstiger imago voor de Taalunie. De buitenwereld kan hier niet voor zorgen, hier is de Taalunie zelf aan zet. Zo niet maakt ze zichzelf overbodig en trekken de hoogste politieke instanties er wel de stekker uit. Den Haag sneller dan Brussel. Er is nood aan ambitie en visie. In het Vlaams regeerakkoord is sprake van een “Nederlandse Taalunie 2.0”. Wat betekent dit? Met twee ministers van N-VA, Ben Weyts (onderwijs) en Jan Jambon (cultuur), die naast de Nederlandse ministers de bevoegdheid delen? Over de interesse voor de neerlandistiek van de Nederlandse minister Ingrid van Engelshoven (onderwijs, cultuur en wetenschap) liet een collega zich onlangs ontvallen dat zij er “geen fuck” om geeft. 

Politieke overheden bepalen het reilen en zeilen van de Taalunie. De beleidsruimte is relatief beperkt, in zoverre de Nederlandse en Vlaamse regering beleid überhaupt mogelijk maken. Zij zetten de bakens uit en trekken krijtlijnen. Daarbinnen hoort de Unie zich te manifesteren, al besef ik dat het ingewikkelder is dan dit. Het Taalunieverdrag van september 1980 moet veertig jaar later herzien en geactualiseerd worden. De wereld ziet er vandaag anders uit, de positie van het Nederlands is gewijzigd en voor alle duidelijkheid niet ten gunste van de taal. Heeft de huidige generatie politici de wil, de moed en vooral de overtuiging om de Taalunie in stand te houden? Ik stel voor de volgende jaren in te zetten op een versterking van de internationale positie van het Nederlands. Uit gesprekken met politieke actoren en belangengroepen moet blijken in hoeverre de Taalunie van morgen voldoende beleid kan voeren om dergelijke ambities waar te maken. De samenwerking tussen Nederland, Vlaanderen en Suriname op het gebied van een gemeenschappelijke taal (in alle variëteiten) is heel bijzonder. De Taalunie moet blijvend bijdragen tot het vrijwaren en stimuleren van de coöperatie tussen deelstaten. 

Ook wat Jozef Deleu al langer beweert, cultuurpolitiek pleitbezorger van het Nederlands, is inderdaad de achilleshiel voor het voortbestaan van de Unie. Hij sprak in De pleinvrees der kanunniken over de “angst voor het ambtelijke cultuurdespotisme”. De redevoering dateert van 1987 en heeft sindsdien niet aan relevantie ingeboet. Integendeel. Vandaag is die angst meer dan terecht. Het gewicht van de ambtenarij zorgt ervoor dat de organisatie een logge en soms moeilijk te manoeuvreren machine is. Hoezeer ik de Taalunie en het Nederlands genegen ben, ook ik zie dit als een bedreiging. Wanneer het onevenwicht tussen loonkost voor de interne werking én financiële middelen voor effectief taalbeleid en nieuwe initiatieven niet wordt aangepakt, haalt ze wellicht de kaap van vijftig niet. Dat zou op het gebied van taalbeleid een forse aderlating zijn voor het Nederlands hier en elders.

Dit stuk verscheen eerder op de website van Knack.