Rijpheid van Albert Verwey: wie is Eusebia?

Door Peter J.I. Flaton 

Net als ‘De brug’ is ‘Rijpheid’ opgenomen in de laatste afdeling van de bundel De weg naar het licht (uit 1922): “De legenden van de eene weg” die uit twaalf gedichten bestaat die op hun beurt elk twaalf verzen tellen.  Dat kan geen toeval zijn: het getal 12 is dat van de perfectie (zoals blijkt uit het boek Jona 4,11 maar we mogen hier ook denken aan de twaalf stammen van Israël, aan Christus’ twaalf leerlingen -de ‘binnenste kring’ genoemd-, aan Herakles’ twaalf werken en aan de twaalf ridders van Arthurs Ronde Tafel en zo voort en verder.) 

Dat spoort met de strekking van de bundel (aldus Vestdijk in zijn Albert Verwey en de Idee) die de reeks ziet als een schets ‘van het menschelijk denken uit een primitief-mythisch beginstadium’ naar een almaar toenemende vergeestelijking: een gang naar de perfectie van de Idee. Vergeleken met ‘De brug’ dat de primitieve fase verbeeldt, zijn we met en in ‘Rijpheid’ (zoals de titel al suggereert) een stuk verder op die ene weg. Wat direct de aandacht trekt, is de nadrukkelijk vooropgeplaatste naam ‘Eusebia’ en de imperatief ‘laat los’ of vragenderwijs: wie  is die nu nog onbekende en wat of wie moet zij loslaten?  In wat volgt, wil ik die vraag beantwoorden, zo in enen het thema ‘rijpheid’ verkennend.  

De exclamatie in regel 1 wordt gevolgd door een zin die pas in regel 9 eindigt. Wat lijkt te beginnen als een ellips, blijkt met ‘Die kreet’ in r. 7 een lange volzin die de lezer, ook vanwege de enjambementen en de regels wit, bijna de adem beneemt. Het ‘laat los’ krijgt er des te meer nadruk door. Het gaat blijkbaar om een proces van bevrijding waarin en waardoor de geest opstijgt naar het licht. En de geest waarom het concreet gaat, is die van de in regel 1 genoemde Vondel, ‘onze’ grote zeventiende-eeuwse dichterprins aan de voet van wiens beeld de jonge Verwey de hoop uitsprak op een even groot dichterschap als het zijne:

[…] ik beloofde dat ik al mijn dagen
Zou pogen zo te zijn als hij, zo open
Voor aarde en hemel, van gemoed zo vurig,
Van geest zo scherp en klaar, van taal zo zuiver.

[Ik citeer naar: M. de Keizer, Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd, Amsterdam, 2017, 309 aan wie ik ook nadere gegevens m.b.t. de relatie Vondel-Verwey verderop in dit artikel ontleen, i.h.b. op de pagina’s 308-310 en 659-668.]

Als om die hoop te vervullen is Verwey zijn dichterleven lang met Vondel in de weer geweest vanuit de overtuiging dat die het niet in zijn poëzie te doen was om ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ (we zien Verwey dit Tachtiger-ideaal al relatief spoedig achter zich laten) maar om uitdrukking te geven aan ‘een bovenpersoonlijk element dat in alles aanwezig is’ (De Keizer, o.c., 309) waardoor, aldus Willem Asselbergs, Verweys ‘”levend poëziebesef tot een poëtisch levensbesef’” werd (ibid., 309-310). 

Die levenslange omgang resulteerde ten slotte in de Vondel-uitgave van 1937 bij gelegenheid van het 350ste geboortejaar van de dichter. Befaamd om zijn inleiding (waarin Verwey zich liet kennen als de geverseerde hoogleraar Nederlands die hij intussen geworden was), beoogde Vondel, Volledige dichtwerken en oorspronkelijk proza, verzorgd en ingeleid door A. Verwey, Amsterdam, 1937 in één band diens oeuvre voor een groot publiek toegankelijk te maken, vandaar een minimum aan filologische subtiliteiten en de relatief lage prijs (mijn vader zaliger, werkloos onderwijzer in de jaren dertig, wist een van de 6000 exemplaren met dubbeltjes en kwartjes te bemachtigen). 

Wat Verwey blijkbaar in Vondel behalve diens dichterschap per se aantrok (voorzover het een zich van het ander laat (onder)scheiden), was zijn spirituele ‘Werdegang’. Zo blijkt uit ‘Rijpheid’ dat hij al ver voor zijn grote Vondelproject schreef en opnam in de bundel De weg naar het licht

Die rijpheid nu blijkt uit Vondels besluit ‘Voortaan alleen te leven als gewijde (…)’ en met het oog daarop de dagelijkse lasten en lusten te boven te komen, ‘opdat zijn geest, door niets gestuit, / De klaarheid won waar hij zich heel bevrijdde’ (.) 

Dat besluit leidde ertoe, dat Vondel zich liet opnemen in de Rooms-Katholieke Kerk na een langzame bekeringsgang waardoor hij van betrekkelijk vrijzinnig doopsgezinde een orthodox discipel van de Romana werd. Dit in 1635 begonnen proces kreeg zijn beslag in 1641. Zo’n ‘conversio’ vraagt om rijpheid, om levenservaring en -inzicht want het licht krijgen we niet maar cadeau: dat vraagt om spirituele inspanning en geestelijke groei. 

Dat Vondel hierin niet alleen staat en van zo’n bekeringsgang een exemplum is, blijkt uit het vervolg van het gedicht waarin vanaf r. 7 het enkelvoud een meervoud wordt: dat van ‘eedlen, rijp en ouder’, die ‘De wereld weten, en hun liefst geloof / Vervolgen willen op gedroomde bergen’. Aristocraten van de Idee zijn ze, die het leven  van alledag intussen door en door kennen en hun liefst geloof (lees: hun dierbaarste overtuiging, die niet de katholieke hoeft te zijn) op  een daarbij passend geestelijk niveau willen (be)leven. 

Daarnaar halsreikend uitkijkend ‘voelen (Ze) vleugels wassen aan hun schouder’, d.w.z. weten ze zich toegerust die zo gewenste opvlucht te maken, immuun voor het verdriet van wie hen hier beneden willen houden en hun het leven hier op aarde als zo begerenswaardig doen voorkomen. Voor hun kreet zijn zij even ongevoelig als Vondel voor die van Eusebia. 

Dat brengt ons bij de ‘Opdraght aan Eusebia’, aldus de titel van een relatief lang gedicht waarmee Vondel zijn in 1641 verschenen tragedie Peter en Pauwels opdraagt aan Maria Tesselschade Visscher, weduwe van de marine-officier Allerd Krombalch en als Vondel daarvoor op  weg katholiek te worden. Vandaar  dat ‘Eusebia’`: Vondels vertaling van het Griekse woord dat “godsvruchtigheid” betekent (ik ontleen  dit gegeven vanzelf aan Verweys Vondeluitgave: noot 4 op pagina 286, c.q. de tweede kolom). 

Mogelijk reikte Maria Vondel dit epitheton trouwens zelf aan: in een door J. van Vloten ontdekt briefje noemde zij zich de ‘Alkmaersche Eusebia’, omdat zij in die stad woonde en zich daar geheel aan de opvoeding van haar dochtertje en aan de godsvrucht wijdde (zie hiervoor: J.F.M. Sterck, Oorkonden over Vondel en zijn kring (…), 1918, in te zien via de DBNL, p. 142). 

‘Vondel heeft’, aldus Sterck,  ‘dus het eerste openbare getuigenis van zijn bekeering opgedragen aan Tesselschade, de dochter van Roemer Visscher, zeer gevierd om hare groote gaven, haar geestigheid, haar goedig hart, zachten aard en schoonheid, vereerd als Muze, zoowel door Hooft, als Huygens, Van Baerle (…)’, heet het op 142-143. 

En dat getuigenis opent als een klaroenschal: ‘Eusebia, nu trek, op Gods bazuinen , / Met mij, niet om de Jerichosen muur; / Maar om  de stad, die met haar zeven kruinen, / De donders tartte, en tergde al ’t bliksemvuur’ (vv. 1-4) waarmee Vondel vanzelf doelt op Rome, Anna er in dit proemium van overtuigend hem naar de Romana te volgen. Dat Tesselschade zich inderdaad oriënteerde op de overgang naar het katholicisme, zou uit een sonnet van Huygens kunnen blijken waarin hij zich afvraagt: ‘Is Tessel op het pad na Roomen van Geneven?’  (J.F.M. Sterck, o.c., 152). En inderdaad, Huygens en Van Baerle lieten maar niet af Tesselschade ervan te weerhouden katholiek te worden. 

Daarbij speelden Jezuïeten net als bij Vondel een belangrijke rol: met bekeringsprocessen door en door vertrouwd wisten zij hoe kandidaten te benaderen (in Anna’s geval: Petrus Plemp, Isaac van der Meije en Theodorus Kievit SJ).  In 1642 was het zover en ging Anna Tesselschade over naar de rooms-katholieke kerk. Laat het zover nog niet zijn geweest in 1641 (het jaar waarin Vondel, vermoedelijk op zijn verjaardag -17 november- rooms werd), ‘het’ hing, om het zo maar te zeggen, wel al in de lucht en dat brengt ons terug bij de Opdracht bij Peter en Pauwels

Op het ‘nu trek’ volgt een schildering van de martelingen die de eerste Apostelen hebben moeten doorstaan, hoe zij de ijdelheden van deze wereld wisten te versmaden en zo het pad betraden van de versterving en vernedering, op weg naar de hemel of in deze context: het Licht.  Ja, Tesselschade behoeft er de martelaarsboeken maar op na te slaan om zich dit alles bewust te worden en in hun voetsporen te treden. Helaas is ze nog niet zover en vandaar Vondels ‘cri de coeur’ aan het slot van de Opdracht: ‘Eusebia, laat los. Gij trekt mij neder (…)’. Hij heeft de last van de wereld dan wel van de schouders geschud (de ‘te lang gedragen bondel’ in r. 4), ze blijft aan hem trekken. Daarom is het zijn taak zich spiritueel van haar te verwijderen maar bij wijze van afscheid schenkt hij haar zijn tragedie Peter en Pauwels, als gezegd zijn eerste geloofsgetuigenis na en van zijn bekering:  een belangrijk moment in zijn spirituele ‘Werdegang’ en voor Anna een aansporing. 

Opvallend is nog, dat Verwey niet alleen het ‘los laat’-motief aan Vondel ontleend heeft maar ook dat van de vleugel. Zo heet het bijna aan het slot van de Opdracht: ‘Hoe dus? Ik raak geen aarde: mijne veder / Verrukt den geest naar d’Apostolische as’ (die van Petrus en Paulus). Hij is al op weg naar zijn ‘gedroomde bergen’, “auf Flüglen des Gesanges’ ofwel in het gedicht ‘Rijpheid’. 

Uit dit alles mogen we niet afleiden, dat Albert Verwey de bekering tot de Romana zag als een stadium op de weg naar het licht. Het ging hem niet (zozeer) om de denominatie als zodanig maar om het proces van vergeestelijking ‘an sich’. 

Vandaar dat hij wellicht van ‘gedroomde bergen’ spreekt als plekken die de ‘eedlen’ zich voorstellen maar die niet  hoeven te bestaan. Wat telt, is het verlangen naar transcendentie, niet meer en niet minder. Met ‘Rijpheid’ is de dichter er dan ook niet: er volgen nog vijf gedichten met tot slot ‘De Heerscher’ wiens doel het is de tweeheid, het dualisme, te boven te komen. Wellicht laat Verwey zich hier zo kennen als de spinozist die hij wilde zijn, dromend van een wereld waarin het tegenover (God-schepping) overwonnen is in het ‘Deus sive Natura’. Immers, 

De waan van tweeheid heeft hij uitgedreven. 
De Scheppings-daad heeft hij opnieuw gedaan.