Linguïstisch Miniatuurtje CLXX: In de clinch met sommigen

door Peter-Arno Coppen

Afgelopen week kwam ik weer eens terecht in de draaikolk van een spellingdiscussie. Je kunt jezelf met knoflook omhangen, de schemering mijden en je vingers in een afwerend kruisteken voor je uit houden, maar als taalkundige kun je dit kwaad nooit helemaal op een veilige afstand houden.

Het frustrerende van spellingdiscussies is dat mensen met alle geweld knopen willen doorhakken, en dat is strijdig met het hele idee van taalbeschouwing. Knopen moet je niet doorhakken, die moet je ontwarren. En als je dan meerdere eindjes overhoudt is dat eerder een gewenste uitslag dan een mislukking. Ook de gedachte dat er een didactisch probleem zou liggen in de noodzaak van reflectie of nadenken lijkt me een misvatting.

En ik dacht nog wel dat het eigenlijk helemaal geen spellingdiscussie was. Het ging namelijk alleen om de keuze tussen sommige en sommigen in de zin ‘Mensen denken heel verschillend over grammatica: sommige(n) moeten er niets van hebben.’ Die keuze is in feite een grammaticale keuze, want hij is “volgens de algemene regel” (zoals taaladvies.net dat omschrijft) afhankelijk van twee vragen:

  1. Is sommige(n) “zelfstandig gebruikt”?
  2. Gaat het om personen?

Alleen als beide vragen met ja worden beantwoord zou het sommigen moeten zijn, in alle andere gevallen sommige. En diezelfde regel zou gelden voor alle(n), andere(n), beide(n), enige(n), enkele(n), talrijke(n), vele(n), verscheidene(n), enz., én voor bijvoeglijke naamwoorden (de meeste(n), de oudste(n), de betere(n), de goede(n)). En misschien ook voor deze(n), al is niet iedereen het daarover eens (het wordt ergens ‘een lastige potentaat’ genoemd).

Dat het in dit specifieke geval van de genoemde voorbeeldzin om personen gaat is niet zo heel moeilijk te bepalen, al kun je kritiek hebben op dit hele criterium (daarover zo meteen meer). Maar wanneer is zo’n woord ‘zelfstandig gebruikt’? Dat is nog niet zo gemakkelijk uit te maken.

Er blijken al verschillende taalkundigen hun tanden te hebben stukgebeten op deze kwestie. Bijvoorbeeld C.B. van Haeringen in een artikel in De Nieuwe Taalgids uit 1971, die weer Paardekooper citeert, en vooral Royen (in zijn ten onrechte nog niet op dbnl verschenen ‘Buigingsverschijnselen in het Nederlands’), en uit de tweede hand Rombouts (in een mij onbekende publicatie). Al die taalkundigen stellen voor om de hele regel af te schaffen of althans te vereenvoudigen. Paardekooper vindt het ‘een dwaze regel’, en stelt voor om in geen enkel van de bovenstaande gevallen meer een meervouds-n te spellen. Dus altijd Beide hebben het gedaan, of Andere hebben de schuld. Rombouts kiest de andere optie en stelt juist voor om bij meervoud altijd een -n toe te voegen. Royen vindt het criterium van de zelfstandigheid nog wel een basis hebben in het taalgevoel, maar het onderscheid tussen personen en zaken niet. Hij stelt dus voor om alleen in het geval van zelfstandig gebruikte voornaamwoorden, telwoorden en adjectieven in het meervoud een -n te spellen, en anders niet. Ook van jassen zou je dus volgens hem moeten kunnen schrijven: Beiden hangen aan de kapstok. Royen erkent dat zelfstandigheid soms moeilijk te bepalen is, maar in dubiis libertas zegt hij: bij twijfel vrijheid.

Van Haeringen gaat daar een eind in mee. Hij hecht vooral waarde aan het taalkundige feit dat taalgebruikers in het noorden, die de slot-n uitspreken, in deze gevallen daadwerkelijk een -n zouden realiseren, ook bij zaken. Daarom zou de spelling van die -n ook voor zaken in het hele land gerechtvaardigd zijn. Wat betreft de zelfstandigheid vindt Van Haeringen niet dat je dit criterium helemaal zou moeten afschaffen, maar hij stelt een radicale vereenvoudiging voor: als het zelfstandig naamwoord erachter staat is het niet zelfstandig, en anders is het altijd wel zelfstandig. Hij vindt dus dat je zou moeten schrijven Sommige leerlingen vinden dit, anderen dat. In de gebruikelijke “algemene regel” (waarover iedereen het trouwens eens is dat die uit een of andere negentiende-eeuwse duim gezogen is*) geldt dat je bij “samentrekkingen” (ook al zo’n problematisch begrip) wel een bijvoeglijk gebruik zou hebben. Omdat in het laatste voorbeeld andere leerlingen de noodzakelijke interpretatie is (je kunt het niet echt, of bijna niet lezen als andere mensen) zou andere daar bijvoeglijk zijn en dus zonder -n moeten. Vooral in de gevallen van een nevenschikking waarbij het “weggelaten” zelfstandig naamwoord in het eerste lid genoemd is, zou er sprake zijn van samentrekking en dus bijvoeglijk gebruik.

Van Haeringens keuze lijkt vooral ingegeven te zijn door de didactische problematiek voor “de onderwijsmensen” (zoals hij ze aanduidt). Die zouden ‘met een zucht van verlichting [deze] regel [kunnen] aanvaarden: geen onderscheid meer tussen personen en zaken (een negatieve regel dus), en als richtlijn: bij ‘alleenstaanden’ in de meeste gevallen de vorm met –n, zonder gepieker over heel- of half-zelfstandig.’

Van Haeringen relativeert de kwestie trouwens wel nog een beetje. Hij schrijft: ‘Er zullen, ook bij de beperkte omvang van mijn betoog, toch al lezers zijn die zich afvragen: Waar maakt die man zich toch zo druk over?’ En daar voegt hij dan snedig aan toe: ‘En ik zal de laatste zijn om dat een onverstandige vraag te noemen.’ Maar ondertussen vindt hij het kennelijk belangrijk genoeg om een knoop door te hakken en een prescriptieve regel voor te stellen.

Naar mijn idee draait de hele discussie om drie vragen, waarvan er twee expliciet gesteld worden, en de derde de achilleshiel vormt:

  1. Is er een basis voor het onderscheid tussen het zelfstandige en niet-zelfstandige gebruik van woorden als sommige?
  2. Is er een basis voor het onderscheid menselijk en niet-menselijk bij het zelfstandige gebruik van deze woorden?
  3. Is er een didactisch probleem?

De meeste – maar niet alle – taalkundigen beantwoorden de eerste vraag wel enigszins bevestigend, maar Paardekooper, Rombouts en Van Haeringen laten de definitie van die zelfstandigheid afhangen van didactische overwegingen, waarmee ze die basis dan toch weer enigszins ondergraven. Alleen Royen en Van Haeringen proberen die basis dan nog te koppelen aan het taalgevoel van (vooral noordelijke) Nederlandse taalgebruikers. Beiden (!) erkennen dat die zelfstandigheid dan nog lastig te definiëren is. Royen kiest in de lastige gevallen voor vrijheid en Van Haeringen kiest voor een “negatieve” definitie: als er een zelfstandig naamwoord achter staat is het niet-zelfstandig, anders altijd wel zelfstandig. In feite kiezen beide taalkundigen dus voor een didactisch gemotiveerde oplossing (namelijk vereenvoudiging), zonder overigens maar iets te didactiseren. Eigenlijk vermijden ze de didactisering, door een ezelsbruggetje of vrijheid voor te stellen.

Alle taalkundigen lijken een basis voor het onderscheid tussen menselijk en niet-menselijk te verwerpen. Toch zou je die basis wel kunnen bepleiten. Als ik in een gesprek terloops opmerk Sommige hangen aan de kapstok, dan is dat een problematische uiting. Tenzij het over mensen gaat, zullen mijn gesprekspartners op de hoogte moeten zijn van wat ik bedoel: sommige jassen, sommige paraplu’s, sommige dassen? Er is geen mogelijkheid om de zin te interpreteren als de mededeling dat er sommige zaken of voorwerpen aan de kapstok hangen.

Dit staat in schril contrast tot een zin als Sommigen vinden dit moeilijk. Hier ligt de interpretatie ‘mensen’ voor de hand. Je hoeft dan echt niet te weten of het om mannen of vrouwen gaat, of om leerlingen, bakkers, of human resource managers. Je kunt natuurlijk een context bedenken waarin het om zo’n specifieke categorie mensen gaat, maar dat hoeft niet.

Dat betekent dat je bij het gebruik van sommige zonder daaropvolgend zelfstandig naamwoord alleen bij mensen een generieke interpretatie hebt, en bij zaken per se een specifieke categorie uit de context moet hebben. Dit is hoe je het ook bekijkt een reëel onderscheid tussen menselijk en niet-menselijk in deze gevallen.

Is er dan nog een didactisch probleem? Ik denk het niet. Naar mijn idee zou je allereerst de gedachte achter het spellen van de -n moeten didactiseren: die kan alleen maar zijn dat de -n het meervoud aangeeft. In een woordgroep als sommige mensen geeft de -n van mensen al het meervoud aan, en het heeft dus geen zin om sommigen te spellen. Gebruik je sommige(n) zonder zelfstandig naamwoord, dan is de vraag of dat een zelfstandig gebruik is of niet. Die vraag zou je didactisch kunnen vereenvoudigen tot de overweging: denk ik daar een zelfstandig naamwoord achter of niet? Als je kunt argumenteren dat je daar een zelfstandig naamwoord achter denkt heb je een punt om de -n weg te laten (want het meervoud zit dan al in het erbij gedachte zelfstandig naamwoord), en als je een generieke interpretatie kunt hebben is een spelling met -n gerechtvaardigd. Dat hele onderscheid tussen personen en zaken bestaat dan nog wel (je hebt geen generieke interpretatie bij zaken), maar didactisch is het onnodig om dit apart erbij te vermelden als het alleen maar gaat om de correcte spelling (het kan natuurlijk geen kwaad om het als een inzicht op te merken).

Bij sommige heb je automatisch een meervoud (dat zit in de betekenis van sommige), maar bij andere woorden moet je natuurlijk wel eerst opletten of het een meervoudige betekenis is. In de zin Ik heb een andere gesproken is er geen argument om een meervouds-n te spellen, want dat is helemaal geen meervoud.

En hoe zit het dan bij Sommige(n) van de leerlingen? Het advies op taaladvies.net keurt daar beide spellingen goed, naar mijn idee op de oneigenlijke grond dat je van de leerlingen als een nabepaling bij het zelfstandige sommigen zou kunnen zien. Maar die zelfstandigheid van sommige(n) blijkt in elk geval niet uit een generieke interpretatie. Je moet wel aan sommige leerlingen denken, en als je taalgevoel je zegt dat je dat woord niet kunt toevoegen tussen sommige(n) en van, dan komt dat waarschijnlijk omdat je sommige(n) van de als voorbepaling bij leerlingen ziet, waardoor leerlingen er toch achter staat. Volgens alle overwegingen zou sommige(n) daar dus niet-zelfstandig zijn.

Veel van de problematisch geachte voorbeelden uit de bovengenoemde literatuur hebben betrekking op zogeheten ‘floating quantifiers’, bijvoorbeeld De leerlingen hebben beide(n)/alle(n) dezelfde fout gemaakt. Dit komt alleen voor bij de twee telwoorden alle en beide, en het is op zichzelf al problematisch om hier een “zelfstandig gebruik” in te zien: de woorden vervullen geen zelfstandige zinsdeelfunctie (ze lijken “weggedreven” van het onderwerp ‘de leerlingen’), maar je kunt er ook geen zelfstandig naamwoord achter denken, noch is er een generieke interpretatie mogelijk. Het enige punt dat je zou kunnen maken is dat je de woorden voor de persoonsvorm kunt zetten, maar dat is niet zonder problemen (*Allen hebben de leerlingen deze fout gemaakt). In feite zou je moeten zeggen dat de woorden niet-zelfstandig zijn omdat ze noodzakelijk aansluiten op leerlingen. Geen wonder dat hier de meeste verwarring ontstaat. De “algemene regel” is niet goed toe te passen. Geen wonder ook, dat de taalkundigen op basis hiervan overwegen om het hele onderscheid tussen zelfstandig en niet-zelfstandig af te schaffen. Maar dit is naar mijn idee dan toch een beetje het kind met het badwater weggooien. Dan kun je beter die twee gevallen uitzonderen, als je dat per se zou willen. Het onderscheid tussen zelfstandig en niet-zelfstandig is in de andere gevallen veel minder problematisch.

Kortom, een op concepten gebaseerd grammaticaonderwijs (of spellingonderwijs) zou hier alleen de concepten meervoud en zelfstandig gebruik hoeven te didactiseren. Bij dat laatste kan het aan de argumentatie van de leerlingen worden overgelaten, of zij daarbij een specifiek zelfstandig naamwoord invullen, dan wel een generieke interpretatie kiezen. Al naar gelang is de ene of de andere spelling toegestaan.

Ik merk dat je zo’n spellingdiscussie nauwelijks kunt voeren zonder op een beregeling uit te komen, die dan onmiddellijk het gevaar in zich draagt om opgevat te worden als een voorschrift (met uitzonderingen!) en vervolgens blind toegepast te worden. Dat is natuurlijk niet de bedoeling, en ook geen goede didactiek. Een juiste didactiek maakt duidelijk wat de gedachte is achter een beregeling, en wat dus de betekenis van een spellingonderscheid is. Op die manier levert de didactiek bij onduidelijke gevallen een handvat om een redenering aan op te hangen. En dat is waar het uiteindelijk om gaat

* Aanvulling: Dit klopt niet. Nicoline van der Sijs meldt mij dat de kwestie al in de Renaissance speelde, zonder dat men tot een eenduidige regel kwam. De consensus dat naar personen verwijzende ‘gesubstantiveerde bijvoeglijke naamwoorden’, en in het verlengde daarvan zelfstandig gebruikte voornaamwoorden en telwoorden, in het meervoud een -n krijgen is echter in de achttiende eeuw ontstaan, bij taalkundigen als Moonen, Sewel en Huydecoper. De fout is mijn fout. Omdat in de door mij geraadpleegde literatuur alleen Den Hertog en De Vries genoemd werden ben ik er te gemakkelijk van uitgegaan dat de regel (zoals zo veel regels) uit de negentiende eeuw stamde.