‘Jochai. Een Oostersch verhaal’ (1836)

Jochai (links) overhandigt aan vizier Hassan, de man die hem in het ongeluk heeft gestort, een beurs vol goudstukken. Hassan wordt geboeid afgevoerd naar ‘een woest eiland’. Illustratie uit Hollandsch penning-magazijn voor de jeugd (1836).

Jeugdverhalen over joden (101)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

‘Jochai. Een Oostersch verhaal’ werd in 1836 gepubliceerd in het Hollandsch penning-magazijn voor de jeugd. Het is gebaseerd op het boek Job uit het Oude Testament, waarin de rijke, vrome Job al zijn bezittingen verliest en ziek wordt. Job is onschuldig en bekritiseert God, maar als die zich openbaart erkent Job dat zijn kritiek ongepast was. Aan het eind van dit Bijbelverhaal brengt God hem terug in zijn vroegere staat van welvaart, gezondheid en geluk.

         Het Hollandsch penning-magazijn voor de jeugd werd uitgegeven door S.E. de Visser en Zoon in Amsterdam.

Samenvatting

Op een heuvel bij Bagdad is ‘de jood Jochai’ uitgeput en wanhopig ter aarde gestort. Door toedoen van de kwaadaardige vizier Hassan, die hem valselijk heeft beschuldigd van misdaden, is hij in ongenade gevallen bij de kalief van Bagdad. Zijn huis en handel zijn hem afgenomen, hij heeft gevangen gezeten en is uit Bagdad verbannen. Waar zijn vrouw en kinderen zijn is hem niet bekend.

         Jochai jammert en klaagt. ‘Heb ik daarom den Heere gediend en regtvaardigheid geoefend mijn leven lang?’

         Uitgeput valt hij in slaap. In een droom zegt een engel tegen hem: ‘Klaag niet meer‚ sta op en volg mij!’ De engel voert hem naar de vorstelijke slaapkamer van vizier Hassan. Aan diens gezicht kan Jochai zien dat Hassan wordt gekweld door ‘akelige dromen’.

         De engel zegt: ‘Zie! dat is de slaap des goddeloozen! Gij zijt arm en verlaten; maar op den kouden grond kunt gij rustiger slapen, dan deze; want uw harte is rein (…) Mor daarom niet, Jochai! Vertrouw u op den Heere, en bedenk, dat er geschreven staat: De regtvaardige wordt uit benaauwdheid bevrijd, en de goddelooze komt in zijne plaatse’ (Spreuken 11:8, in de NBV-vertaling: ‘Wie rechtvaardig is, wordt bevrijd van zijn ellende, zijn plaats wordt ingenomen door een goddeloze’).

         Als hij wakker wordt ziet Jochai dat zijn vrouw en kinderen zich bij hem hebben gevoegd. Hij heeft meteen ‘berouw dat hij immer gemord had tegen den Heere’.

         Samen trekken zij naar de stad Bassorah (Basra in Irak). ‘De togt was lang, maar viel hem niet zwaar, omdat het geloof, dat Gods engelen over hem waakten, hem nooit begaf.’

         In Basra begint Jochai een nieuwe negotie. ‘In het eerst waren er velen, die hem met harde woorden bejegenden, omdat hij een arme jood was.’ Maar al snel merken de kooplieden dat Jochai een ‘eerlijken jood’ is en zij schenken hem hun vertrouwen. In acht jaar tijd weet Jochai zijn handel zo uit te breiden dat hij in de buurt bekendstaat als ‘den rijken jood’. Hij stuurt karavanen uit naar Oost en West.

         Als Jochai in het Oude Testament leest overdenkt hij in dankbaarheid ‘de geschiedenis van Job, zoodat de woorden: En de Heere zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste, diep in zijne ziele waren geprent’ (Job 42:12, in de NBV-vertaling: ‘De Heer zegende Job in zijn latere leven nog meer dan in zijn vroegere’).

         Als Jochai op een dag langs de haven van Basra loopt, ziet hij gerechtsdienaren een geketende man naar een schip voeren dat ballingen naar ‘een woest eiland’ brengt. Hij ziet meteen dat de gevangene vizier Hassan is. Zonder hem aan te kijken (‘want wat heb ik de gewetensknaging des rampzaligen te vermeerderen?’) stopt Jochai de vizier een beurs met goudstukken in handen.

         Thuisgekomen zegt Jochai tegen zijn kinderen: ‘Ja, waarlijk‚ het is een onbedriegelijk woord door Gods engel uitgesproken: De regtvaardige wordt uit benaauwdheid bevrijd, en de goddelooze komt in zijne plaatse!’

Doelgroep en receptie

Van dit jeugdverhaal heb ik geen besprekingen gevonden.