In memoriam Francis Bulhof (1930-2020)

Door Hans Beelen en Ralf Grüttemeier

Op 12 augustus is Frans Bulhof in zijn geboorteplaats Den Haag overleden.

Na een studie Romaanse talen in Groningen werkte hij tien jaar lang als leraar Frans aan Het Nederlands Lyceum in Den Haag. In die tijd schreef hij ook zijn dissertatie Transpersonalismus und Synchronizität. Wiederholung als Strukturelement in Thomas Manns „Der Zauberberg“, waarop hij in 1966 in Utrecht bij de germanist en literatuurtheoreticus H.P.H. Teesing promoveerde. In hetzelfde jaar werd Bulhof benoemd tot assistant professor in Austin/Texas bij het Department of Germanic Languages. In 1981 werd hij hoogleraar Nederlandse letterkunde in Oldenburg, waar hij de vakgroep Nederlands oprichtte, deze in 1989 structureel met een tweede, taalkundige hoogleraar wist uit te breiden (dat was een primeur voor de tot dan toe eenmanshoogleraarsposten in Duitsland) en in 1995 met pensioen ging.

Het onderzoek van Bulhof was met name op het modernisme in de Europese literatuur gericht – hij was een van de eersten die de term in verband met Nederlandstalige literatuur brachten, onder andere op een in 1973 mede door hem georganiseerd congres in Austin/Texas, waarvan de bijdragen in 1976 verschenen als Nijhoff, Van Ostaijen, „De Stijl“. Modernism in the Netherlands and Belgium in the first quarter oft he 20th century. Bulhof heeft vooral gepubliceerd over sleutelfiguren uit de literatuur van het interbellum, met name Ter Braak en Du Perron, maar ook bijvoorbeeld over Arthur Lehning en Paul Van Ostaijen, wiens briefwisseling met de Delmenhorster expressionistische schilder Fritz Stuckenberg hij heeft verzorgd (Eine Künsterfreundschaft, Oldenburg: Holzberg, 1992).

Samen met Elizabeth Daverman publiceerde hij een vertaling van Du Perrons Het land van herkomst (Country of Origin. Amherst: The University of Massachusetts Press, 1984). Daarnaast gold zijn wetenschappelijke belangstelling de letterkunde van de achttiende eeuw, getuige onder meer een digitale editie van de Proeve eener theorie der Nederduitsche poēzy van O.C.F. Hoffham (dbnl, 2002) en een biografie van Willem Emery de Perponcher (Ma patrie est au ciel. Hilversum: Verloren, 1993).

Bulhof was van huis uit structuralist, met een duidelijke focus op literaire vormen. Die belangstelling voor en dat plezier in vormen kenmerkte hem ook als persoon, zowel qua optreden als qua taalgebruik: zijn repertoire was groot en reikte van hartelijke empathie via verfijnde ironie tot aan onderkoelde scherpte. Wie hem kende, zal veel van zijn uitdrukkingen nooit vergeten, zoals hij het met fonkelende oogjes over de universiteit Oldenburg als „Harvard aan de Hunte“ (de rivier door Oldenburg) kon hebben, overal „kabouters“ aan het werk zag, en iemand na gedane zaken opdroeg om zich „een extra glaasje limonade“ te gunnen. Hij heeft het zijne nu wel verdiend.