‘Het omgestorte zoutvat’ (1838)

De steenrijke joodse koopman Nathan (links staand, met zwart hoofddeksel) stoot per ongeluk het zoutvat om van Omar, de heerser van Algiers. Dit kost hem het leven. Illustratie van de Nederlandse schilder en lithograaf C.C.A. Last (1808-1876) in Philarete, tijdschrift voor de jeugd (1838).

Jeugdverhalen over joden (102)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend
Vertaald uit het Duits

Herkomst en drukgeschiedenis

Het verhaal ‘Het omgestorte zoutvat’ werd in 1838 gepubliceerd in Philarete, tijdschrift voor de jeugd. Dit bestond van 1837 tot 1843 en bevatte veel vertalingen uit Duitse en Franse jeugdtijdschriften. ‘Het omgestorte zoutvat’ is vertaald uit het Duits.

         Philarete betekent ‘liefde door deugd’. Doel van het tijdschrift, dat indertijd werd uitgegeven door H. Nijgh in Rotterdam, was ‘zedelijke vorming’.

Samenvatting

Dit verhaal speelt aan het begin van de 19de eeuw in Algiers. Nathan, een steenrijke joodse koopman, is een vertrouweling van Omar, de dei (vorst) van Algiers. De dei is ter ore gekomen dat Nathan is betrokken bij een samenzwering tegen hem. De vorst weigert echter dit te geloven (‘ik acht u hooger dan ooit’) en nodigt Nathan uit om samen te eten. Als hij Nathan om het zoutvat vraagt, laat de koopman dit per ongeluk vallen.

         Nathan weet meteen: dit is een ramp, want ‘Oosterlingen zijn zeer bijgelovig’. Zij hechten aan ‘de beuzelachtigste voorvallen: zout tusschen twee personen uitgestort beteekent twist en verraad’.

         De volgende dag wordt Nathan ontboden op het paleis. Hij keert niet terug. Als zijn twaalfjarige zoon Cador hem gaat zoeken, vindt hij het ‘bloedige hoofd’ van zijn vader gespiest op een traliehek rond het paleis.

         Cador is de oudste zoon van Nathan. Hij moet nu de kost verdienen voor zijn moeder en broers. De ‘fiere, edele knaap’, die opmerkelijk genoeg blond haar en blauwe ogen heeft, wordt ‘reizende marskramer’. Door ‘eerlijk, oppassend gedrag’ beschikt hij al snel over goud en juwelen.

         Op een dag wordt Cador op een bergpas overvallen door ‘een bende Arabieren’. Hij doodt drie overvallers maar wordt uiteindelijk toch overmeesterd. Daarop wordt hij voor de roverhoofdman geleid. Die is zo onder de indruk van Cadors moed dat hij hem de helft van zijn eigen vermogen aanbiedt, plus de mooiste slavin en zijn beste paard. Dit onder de voorwaarde dat Cador zich bij zijn bende aansluit.

         De jonge ‘Israëliet’ weigert. ‘Eer sterf ik’, zegt hij, ‘dan een struikroover te worden!’

         De roverhoofdman is zo met de jongen ‘ingenomen’dat hij hem vrijlaat.

         Terug in Algiers wordt Cador ontboden door de dei. Die heeft van het voorval gehoord. ‘Gij zij te groot van ziel’, zegt de vorst, ‘het bloed is te rein dat u door de aderen stroomt, dan dat gij van eene verrader zoudt kunnen afstammen… Zoon van Nathan, vergeef mij mijne dwaling.’

         Cador: ‘De God Israël’s vergeve u, gelijk ik u vergeef!’

         De jongeling weigert geschenken aan te nemen van de dei, maar als de vorst blijft aandringen, vraagt hij hem om deze gunst: ‘Denk (…) tienmaal na eer gij de hand tot straffen opheft.’

         Het verhaal besluit met een uitleg van de moraal. De voornaamste les is: deugd wordt altijd beloond. De tweede les: het is gevaarlijk om gehoor te geven aan bijgeloof en vooroordelen want zij voeren ons vaak op een dwaalweg en verdoven ‘de stem van ons hart en die der rede’.

Verhaalvarianten

De Rotterdamse onderwijzer Jacob Gabriël Litzau (1795-1855) bouwde dit verhaal in 1847 om tot het toneelstuk Het omgestorte zoutvat, een ‘rederijkers-zinnespel’ in drie bedrijven. Het opmerkelijkst is dat Litzau de coulante en vrijgevige roverhoofdman omtovert tot een boosaardige, tot de islam bekeerde jood. Deze naamloze ‘geloofsverwisselaar’ noemt Nathan, de vader van Cador, ‘een Joodsche hond’. Ook spreekt hij van ‘hardnekkig Joodsch gebroed’. Hij stelt: ‘Om een Jood te vangen dient men wel Jood te zijn.’ Uiteindelijk probeert hij Cador zwart te maken bij de vorst van Algiers, maar dat mislukt. Omar briest dat de roverhoofdman op een verschrikkelijke manier ter dood moet worden gebracht: ‘Neemt hem en spiest hem ’t lijf van ’t stuitbeen tot den kop, / En rigt hem, dus gespiest, op ’t breedste marktveld op.’ Cador vraagt de dei echter om menselijk te zijn: ‘Toon genâ, en straf hem met den koorde.’

         Bij mijn weten is dit stuk nooit opgevoerd. Wel werd de hele oplage van het boekje bij intekening verkocht.

Doelgroep en receptie

Het tijdschrift Philarete was bestemd voor kinderen tussen twaalf en zestien jaar. Van dit verhaal heb ik geen besprekingen gevonden.