Gedicht: twee perzikgedichten

De perzik

Breed spreidt de boom, met donzig ooft beladen,
Zijn knoestige armen over ’t lichtgroen latwerk
Dat, sterke steun, den zoeten last helpt torschen.
En bij den boom, met blikken vol begeerte,
Staan knaap en meisje, meer dan half verleid reeds.
Bekoorlijk bloost de rijpe ronde perzik.
Op zusjes schouder legt de knaap zijn handje
En stamelt smeekend – ‘Toe! pluk gauw! ik durf niet!’
En moedig heft, vuurrood van ’t koene waagstuk,
– Als Vader kwam! – het blonde zondaresje
Den blanken arm naar ’t purpren paradijsooft,
Plukt snel de vrucht en splijt die vlug doormidden
En deelt haar buit, al fluistrend: – ‘Laffe jongen!’
Met bangen broêr, die achter Eva wegschuilt.

Hélène Swarth (1859-1941)

***

De perzik

Die perzik gaf mijn vader mij,
Om dat ik vlijtig leer.
Nu eet ik vergenoegd en blij.
Die perzik smaakt naar meer.

De vrolijkheid past aan de jeugd
Die leerzaam zig betoont.
De naarstigheid, die kinderdeugd,
Wordt altoos wel beloond.

Hieronymus van Alphen (1746-1803)

Foto: Flickr


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.